Beste Abkerom,
Jij hebt een naam: Abkerom Mulue en we weten dat je uit Eritrea komt. Van honderden, misschien duizenden van jouw lotgenoten die de overtocht met een vluchtelingenboot van Afrika naar Europa niet overleefden, kennen we naam noch herkomst. Je getuigenis in Koppen vorige de week was ontroerend. Aan boord van jouw vluchtelingenschuit is brand uitgebroken en je moest zwemmen voor je leven. Een eerste boot negeerde jullie nood, een tweede, een Italiaans schip, kon 46 drenkelingen redden. Wie één mens redt, redt de mensheid, zegt een Joods spreekwoord...
Je moest eens weten, Abkerom, hoe schamper er in Fort Europa over jullie wordt getwitterd, gefacebookt en gecafépraat: "ze moesten ze allemaal terugsturen, hoe meer er verzuipen hoe minder problemen wij hebben, enz." Alsof jullie vlucht een keuze is, een zondags uitstapje zelfs.
Ik woon in de Westhoek, dat zal je wel niet kennen. Maar het klinkt westers, niet? Het is er mooi, maar ik hoor er evengoed zo'n cafépraat en ik schaam me in hun plaats. Schijnbaar kennen ze hun geschiedenis niet. Nochtans, je kan niet zeggen dat er de voorbije tijd niet af en toe eens iets over de Eerste Wereldoorlog wordt gezegd, getoond of geschreven hier ten lande. Dan zouden ze moeten weten dat vanuit Poor Little Belgium honderd duizenden mensen in 1914 en de jaren erna op de vlucht zijn geslaan, naar Groot-Britannië, naar Nederland en vooral naar Frankrijk. De Normandie zat vol Belgische vluchtelingen. Pastoors en gendarmen liepen zich samen de benen van onder het gat om mensen aan te sporen de vlucht te nemen, naar Frankrijk. Telkens een trein vertrekkensklaar stond in Abele of Adinkerke, werd de promotiemachine op gang getrokken: voor het zielenheil van de kinderen, voor de veiligheid van ouderlingen, om plaats te maken voor nog meer kanonnenvoer.
Zou iemand er ooit een moment aan getwijfeld hebben of al die petits belges welkom waren in Frankrijk? Zou de Franse overheid erover getobd hebben of ze hun grenzen moesten sluiten of niet?
Een halve eeuw voor de oorlog waren er, vooral in West- en Oost-Vlaanderen, rampzalige misoogsten geweest met armoede en hongersnood tot gevolg. De Vlaanders, dat was krot en compagnie. De Belgische overheid was wat blij dat ze ervan af geraakten, dus gaven ze zelfs subsidie voor zij die via de Red Star Line of andere Titanics de oversteek naar Amerika waagden, zonder retourticket. De overheid speelde zelf voor mensensmokkelaar, als het ware...
Ik was ooit in het archief van de Noord-Hollandse stad Haarlem. In de huwelijksregisters trof ik er tientallen en nog eens tientallen bruiden en bruidegommen geboren in Watou, Menen, Ieper, Nieuwkerke, Hondschote of Steenvoorde. In het archief van Leiden zijn die tientallen er waarschijnlijk wel honderden en ze komen allemaal uit wat we nu de Westhoek en Frans-Vlaanderen noemen. Ze sloegen op de vlucht voor de bloedige Spaanse Inquisitie. En ze huwden allemaal met elkaar! Grote integratiekampioenen waren het dus ook niet. Heeft het de Nederlandse samenleving ontwricht, heeft het de ondergang van de jonge Hollandse republiek ingeleid? Nee hoor, de immigratie heeft de Hollandse Gouden Eeuw ingeleid met Rembrandt en Vermeer, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, maar ook met kunst van Frans Hals, geboren in Antwerpen en Roeland de Savery uit Kortrijk, wetenschappen met Simon Stevin, geboren in Brugge, zeevaartkaarten voor de VOC van Petrus Plancius uit Dranouter...
We zijn allemaal kinderen van vluchtelingen. We zijn allemaal Abkerom, maar dat ligt schijnbaar wat moeilijker dan met zijn allen Charlie te zijn.
Salam,
Wim
zaterdag 2 mei 2015
zaterdag 29 maart 2014
Op je poep het duin af (2)
Ik heb je nooit gekend, maar ik zie je villaatje nog voor me. Het stond aan 't eind van de duin die begon achter ons vakantiehuis: witte gevel, leien dak, gele luikjes. Waarom mijn neven, die het hele jaar door in St.-Idesbald woonden, je zo noemden, weet ik niet.
Ik moest denken aan je, nee, niet aan jou want ik ken je niet, maar aan je huisje, of beter nog aan dat zicht op dat huisje van op de rand van onze tuin. Dat zicht is verdwenen, trouwens net als het zicht op de zee en sinds een paar maanden ook het zicht op de tramlijn. Er is eigenlijk haast geen zicht meer, 't is geen gezicht...
Daarover is van de week veel te doen geweest in de pers want een gids die de titel draagt "600 plekken in Vlaanderen die je moet gezien hebben", raadt de lezer ten stelligste af om naar de Belgische kust te gaan, vanwege schreeuwlelijk, oersaai en ga maar door.
Nou ja, 't is niet de mooiste plek op aarde. Die heb ik, denk ik nog niet gezien, en 'k zit er eigenlijk ook niet op te wachten. Er zijn dingen die je in je leven niet moet willen. 600 plekken in Vlaanderen zien, bijvoorbeeld....
Ik moet natuurlijk ook wel even denken, als ik loop in de duinen van de Côte Opale of fiets door de Wassenaarse Duinen, van: god, wat hebben we 't in België toch aardig verkloot hè. En het heeft in die discussie niet veel zin om de mooie plekken die er wel nog zijn op te sommen (de Westhoekduinen in de Panne, het Calmeynbos, ...) want het is toch een beetje zoals die ene slechte boon die je hele kan koffie om zeep helpt. 't Is verkloot, dat moeten we onder ogen zien.
Maar ik weet niet of ik dat zo erg vind en ik weet al helemaal niet of de kust daarin dan zoveel slechter bezig is dan pakweg Brussel, Kortrijk of euh... Poperinge. Ik bedoel maar, er zijn daar ook fantastisch mooie panden tegen de grond gegaan, er worden daar ook lelijke blokkendozen gezet op plekken waar arbeidershuisjes, herenhuizen of fabriekjes stonden.
En erg? Ik mis de zee als ik er een paar maand niet geweest ben en ik voel me op slag weer jong als ik dat zout op mijn lippen proef. Een zomervakantie is niet compleet als er niet een paar dagen Westkust is bij geweest. En nu kan je veel zeggen over ons kusttoerisme, maar dat het er saai is, is manifest gelogen. Ga je even op een ochtend op een bank zetten bij de horloge in St.-Idesbald of Koksijde. Wat je daar allemaal ziet passeren, dat is Tati en Fellini en Fassbinder allemaal samen. Heerlijk. En ik hou van de ouderwetsheid van een fanfareorkestje op zondagmorgen en een vuurwerkje bij valavond. Ik hou van traiteurs die hun kant-en-klare geregjes voor veel te veel geld aan de man brengen, van de geur van warme wafels en de veertig soorten smaken van roomijs. Alleen voor mosselen met frieten durf ik al eens de grens oversteken. Wat ze daar in België voor durven vragen, is gewoon schandalig.
Het is niet toevallig dat ik jou schrijf, meneer Patatte Boelie, want jij hoort bij mijn jeugd. De Belgische Kust, dat is nostalgie, dat is op je poep het duin af om een knikkerbaan te maken. "Va is weer nostalgisch", zeggen mijn kinderen dan, waneer ik net als vroeger volledig door de duinen van St.-Idesbald tot Koksijde probeer te wandeling. Dat lukt natuurlijk niet meer, want hoe belangrijk dat het duinendecreet ook is geweest voor de conservering van belangrijke, grote lappen duin, het is de doodsteek geweest voor de kleine duintjes die hier en daar nog tussen de villaatjes in lagen. Zoals dat duintje tussen ons vakantiehuis en dat van Patatte Boelie...
Het wordt zomer van de week. Een wandeling tussen de plooien van Scherpenberg en Sulferberg is fantastisch, maar het zomergevoel is pas compleet als ik de zee ruik, het zand onder de voeten voel, garnaalkroketten eet en een potje garnalen bij 't aperitief krijg. Of dat nu een plek is die je volgens sommigen moet gezien hebben of niet.
Wim
zaterdag 15 februari 2014
Westhoek anno 2030
Beste Filip De Rynck,
Je woorden die je vorige zaterdag in Poperinge uitsprak, waren nog niet koud of ze werden al kracht bijgezet door de burgemeester van Heuvelland. Hij had het over zijn armlastige gemeente en hoe ze een klein putje (veel meer dan een soepbord kan dat toch niet zijn) in hun begroting willen opvullen met een belasting op wielerwedstrijden die over hun "bergen" willen rijden.
Je had het over de armoede van de kleine, landelijke gemeenten in de Westhoek en hoe dat niet lang meer houdbaar blijft. En inderdaad, de begroting van een gemeente als Vleteren of Lo-Reninge is allicht kleiner dan het gemiddeld jaarloon van een baas van bPost of Belgacom. Meer van dat slag samengooien lost niet veel op en ze mooi verdelen over Poperinge en Ieper zou die twee alleen maar opzadelen met last, zonder veel lust (hoewel ik die twee nog wel een aardig robbertje zou zien vechten om de Kemmelberg...).
Je hield je betoog in Poperinge, waarbij je eerst 30 jaar achterop had gekeken, naar de periode toen Poperinge door feodale landheren en papierdrukkers werd bestuurd die meer aandacht hadden voor de vogeltjes of hun gazet dan voor de vooruitgang van hun gemeente. Je noemde de voorbije legislatuur, met een jonge burgemeester en relatief jonge schepenen, "De Poperingse Lente", waardoor je niet alleen de die dag gefêteerde SP.a deed glimmen maar ook de aanwezige CD&V'ers een mooie, zij het rooie vooravond bezorgde. Het visionaire deel van je speech, was misschien eerst even slikken. Alleen een grote fusie, waarbij Poperinge en Ieper samen gaan, maakt voor jou kans op overleven. Jij bent de bestuurskundige, dus over de financiële en logistieke kant van dat idee laat ik geen twijfel bestaan. Ronduit fantastisch vind ik je idee om de urbanistische expansie voor bedrijventerreinen en woongebieden te concentreren rond de spoorweg Ieper-Poperinge, die dan meteen een sneltramlijn moet worden, die uiteraard ook weer stopt in de Brandhoek en Vlamertinge maar evengoed in de nieuwe woonkernen Saint-Louis (we gaan dat daar toch niet Bubastis noemen zeker!), Geithoek, Robaart, Lissewal en Galgebos, met een uitzwaai richting de vaart Ieper - IJzer. Vlamertinge wordt zodoende het centrum van de zuidelijke Westhoek. Landschappelijk is de natuur op die lijn al redelijk verstoord (of verkloot) zodat het geen zonde zou zijn om de boel daar gewoon dicht te bouwen. Als de consequentie daarvan is dat kleinere kernen in de Westhoek profonde (Loker, Dranouter, Abele, Krombeke, Wulvergem, ...) niet langer aan bakstenen uitbreiding onderhevig zijn, kunnen we daar beter nu dan binnen 30 jaar aan beginnen! Ik reed van de week achter de Zwarteberg, door twee prachtige Frans-Vlaamse dorpjes: St.-Jans-Kappel en Berthen. In beide zijn ze schuwlelijke nieuwe wijken aan 't bouwen die oplopen naar de heuvelflanken. Doodjammer, maar dat krijg je wanneer in kleine autonome dorpjes kleine politiekertjes telkens weer hun eigen kleine politieke succesje moeten halen. Als we in een grote gemeente Zuid-Westhoek onze hele streek kunnen opdelen in plekken waar het goed werken, andere waar het goed wonen en nog andere waar het goed (be)leven is, dan kan dit eigenlijk niet snel genoeg gebeuren. Over mijn identiteit zit ik niet in. Ook na 38 jaar, voel ik mij nog altijd in de eerste plaats Reningelstenaar en geen Groot-Poperingse machinatie die me dat probeert te ontnemen. Tegelijk hebben die 38 jaar me ook wel weer een bredere identiteit gegeven die mij op bijzondere manier bindt met de Abelenaar, de Krombekenaar en de inwoner van de Boeschepstraat en de Lijsterwijk.
Het enige wat jouw visionaire gedachten nog zou kunnen dwarsbomen, is het politieke wiskundespelletje. Ik wed dat sommigen dat zaterdagnacht in hun bed al hebben liggen doen.
Merci voor de toekomst, Filip en regenachtige groeten uit euh Reningelst of Poperinge of euh..., ja,
Wim
Je woorden die je vorige zaterdag in Poperinge uitsprak, waren nog niet koud of ze werden al kracht bijgezet door de burgemeester van Heuvelland. Hij had het over zijn armlastige gemeente en hoe ze een klein putje (veel meer dan een soepbord kan dat toch niet zijn) in hun begroting willen opvullen met een belasting op wielerwedstrijden die over hun "bergen" willen rijden.
Je had het over de armoede van de kleine, landelijke gemeenten in de Westhoek en hoe dat niet lang meer houdbaar blijft. En inderdaad, de begroting van een gemeente als Vleteren of Lo-Reninge is allicht kleiner dan het gemiddeld jaarloon van een baas van bPost of Belgacom. Meer van dat slag samengooien lost niet veel op en ze mooi verdelen over Poperinge en Ieper zou die twee alleen maar opzadelen met last, zonder veel lust (hoewel ik die twee nog wel een aardig robbertje zou zien vechten om de Kemmelberg...).
Je hield je betoog in Poperinge, waarbij je eerst 30 jaar achterop had gekeken, naar de periode toen Poperinge door feodale landheren en papierdrukkers werd bestuurd die meer aandacht hadden voor de vogeltjes of hun gazet dan voor de vooruitgang van hun gemeente. Je noemde de voorbije legislatuur, met een jonge burgemeester en relatief jonge schepenen, "De Poperingse Lente", waardoor je niet alleen de die dag gefêteerde SP.a deed glimmen maar ook de aanwezige CD&V'ers een mooie, zij het rooie vooravond bezorgde. Het visionaire deel van je speech, was misschien eerst even slikken. Alleen een grote fusie, waarbij Poperinge en Ieper samen gaan, maakt voor jou kans op overleven. Jij bent de bestuurskundige, dus over de financiële en logistieke kant van dat idee laat ik geen twijfel bestaan. Ronduit fantastisch vind ik je idee om de urbanistische expansie voor bedrijventerreinen en woongebieden te concentreren rond de spoorweg Ieper-Poperinge, die dan meteen een sneltramlijn moet worden, die uiteraard ook weer stopt in de Brandhoek en Vlamertinge maar evengoed in de nieuwe woonkernen Saint-Louis (we gaan dat daar toch niet Bubastis noemen zeker!), Geithoek, Robaart, Lissewal en Galgebos, met een uitzwaai richting de vaart Ieper - IJzer. Vlamertinge wordt zodoende het centrum van de zuidelijke Westhoek. Landschappelijk is de natuur op die lijn al redelijk verstoord (of verkloot) zodat het geen zonde zou zijn om de boel daar gewoon dicht te bouwen. Als de consequentie daarvan is dat kleinere kernen in de Westhoek profonde (Loker, Dranouter, Abele, Krombeke, Wulvergem, ...) niet langer aan bakstenen uitbreiding onderhevig zijn, kunnen we daar beter nu dan binnen 30 jaar aan beginnen! Ik reed van de week achter de Zwarteberg, door twee prachtige Frans-Vlaamse dorpjes: St.-Jans-Kappel en Berthen. In beide zijn ze schuwlelijke nieuwe wijken aan 't bouwen die oplopen naar de heuvelflanken. Doodjammer, maar dat krijg je wanneer in kleine autonome dorpjes kleine politiekertjes telkens weer hun eigen kleine politieke succesje moeten halen. Als we in een grote gemeente Zuid-Westhoek onze hele streek kunnen opdelen in plekken waar het goed werken, andere waar het goed wonen en nog andere waar het goed (be)leven is, dan kan dit eigenlijk niet snel genoeg gebeuren. Over mijn identiteit zit ik niet in. Ook na 38 jaar, voel ik mij nog altijd in de eerste plaats Reningelstenaar en geen Groot-Poperingse machinatie die me dat probeert te ontnemen. Tegelijk hebben die 38 jaar me ook wel weer een bredere identiteit gegeven die mij op bijzondere manier bindt met de Abelenaar, de Krombekenaar en de inwoner van de Boeschepstraat en de Lijsterwijk.
Het enige wat jouw visionaire gedachten nog zou kunnen dwarsbomen, is het politieke wiskundespelletje. Ik wed dat sommigen dat zaterdagnacht in hun bed al hebben liggen doen.
Merci voor de toekomst, Filip en regenachtige groeten uit euh Reningelst of Poperinge of euh..., ja,
Wim
dinsdag 14 januari 2014
Boarebreker
Beste Jan,
We deelden de liefde voor de zee. Ik mis ze zo dikwijls want ik woon "in de bergen". Jij moest ze lange tijd missen toen je in Maldegem-Donk woonde. We lieten geen kans voorbij gaan om naar zee te trekken om er reportages te maken voor Studio West. Ik hield het vooral bij het strand en het aanrollende water. Jouw blik en jouw liefde ging ver voorbij de branding, voorbij de horizon zelfs. Dat was het verschil tussen jij en ik: jij had zeebenen, ik werd al misselijk bij 't idee dat ik aan boord moest gaan van een varend tuig. Jij had niet voor niets vissers in de familie, ik alleen maar mensen die aan de wal hun brood verdienden aan 't kusttoerisme.
Dat was ook het verschil tussen ons als journalist. Ik had voldoende aan een plasje water (een kelle) om wat in te stoeien. Jij wilde door de branding, de volle zee in. Je nam geen genoegen met hier en daar een brokje informatie, je wilde het hele verhaal kennen, je wilde voorbij het omfloerste gewauwel van politici en het voorzichtige geneuzel van woordvoerders en raadsmannen. De waarheid blootleggen was je missie en de objectiviteit was daarbij heilig (ook al had je soms de pest aan "de stem van de andere kant"). Ik kon aan de slag met wat flarden en maakte er onderhoudende dingetjes mee. Precies daarom vulden we mekaar zo wonderwel aan. Je gedrevenheid om de "baren te breken", om tegen de storm in het zeegat uit te geraken, bewonderde ik mateloos. Twee dagen nog voor je op pensioen ging, rende je de redactie uit omdat er één of ander gebeurd was in de haven van Zeebrugge. Wij dachten: "Jan toch, laat het nu even, we pakken de telefoon wel, we waren net zo gezellig aan 't kletsen". Dat was jouw aard niet. Dat van dat kletsen wel, wat was je een gezellige verteller! Maar, je was een journalist in hart en nieren en dat bleef je trouw tot op je laatste dag. Gedreven om een goed, informatief programma te maken, als een golfbreker in de branding. Toch hield je ook van de franjes, van de badinerende praterijtjes (van Dominiek), van de lollige spelletjes die ik maakte, de reportages met een aparte twist (van Ann en Sabine) de typetjes die commentaar leverden, ook bij jouw nieuwsverhalen, enz.
Het moet een bijzondere dag geweest zijn, toen je weg mocht uit Donk en jij en Lieve opnieuw in Blankenberge belandden, met zicht op de haven en... de zee, eindelijk. Jij en Smierl (je sportvissersschuitje) op volle zee, dat moet het einde zijn geweest.
Het klinkt bijna als een misselijke grap dat jij uitgerekend tijdens een zwempartijtje bent omgekomen. Of moet zo'n zeejongen als jij niet op 't droge, in een bed sterven? Ik vernam je dood toen ik zowaar over de grote zeesluis reed in Zeebrugge. Symbolischer kon het niet. Hoe kan ik je even herinneren in deze momenten? Een pijp stoppen misschien? Hoeveel papiermanden heb je in de fik gestoken door die achteloos uit te kloppen op de redactie? Ik zal ze oproken en dan voor alle zekerheid... versmoren in een kommetje water.
Vaar (!) wel Jan,
Wim
We deelden de liefde voor de zee. Ik mis ze zo dikwijls want ik woon "in de bergen". Jij moest ze lange tijd missen toen je in Maldegem-Donk woonde. We lieten geen kans voorbij gaan om naar zee te trekken om er reportages te maken voor Studio West. Ik hield het vooral bij het strand en het aanrollende water. Jouw blik en jouw liefde ging ver voorbij de branding, voorbij de horizon zelfs. Dat was het verschil tussen jij en ik: jij had zeebenen, ik werd al misselijk bij 't idee dat ik aan boord moest gaan van een varend tuig. Jij had niet voor niets vissers in de familie, ik alleen maar mensen die aan de wal hun brood verdienden aan 't kusttoerisme.Dat was ook het verschil tussen ons als journalist. Ik had voldoende aan een plasje water (een kelle) om wat in te stoeien. Jij wilde door de branding, de volle zee in. Je nam geen genoegen met hier en daar een brokje informatie, je wilde het hele verhaal kennen, je wilde voorbij het omfloerste gewauwel van politici en het voorzichtige geneuzel van woordvoerders en raadsmannen. De waarheid blootleggen was je missie en de objectiviteit was daarbij heilig (ook al had je soms de pest aan "de stem van de andere kant"). Ik kon aan de slag met wat flarden en maakte er onderhoudende dingetjes mee. Precies daarom vulden we mekaar zo wonderwel aan. Je gedrevenheid om de "baren te breken", om tegen de storm in het zeegat uit te geraken, bewonderde ik mateloos. Twee dagen nog voor je op pensioen ging, rende je de redactie uit omdat er één of ander gebeurd was in de haven van Zeebrugge. Wij dachten: "Jan toch, laat het nu even, we pakken de telefoon wel, we waren net zo gezellig aan 't kletsen". Dat was jouw aard niet. Dat van dat kletsen wel, wat was je een gezellige verteller! Maar, je was een journalist in hart en nieren en dat bleef je trouw tot op je laatste dag. Gedreven om een goed, informatief programma te maken, als een golfbreker in de branding. Toch hield je ook van de franjes, van de badinerende praterijtjes (van Dominiek), van de lollige spelletjes die ik maakte, de reportages met een aparte twist (van Ann en Sabine) de typetjes die commentaar leverden, ook bij jouw nieuwsverhalen, enz.
Het moet een bijzondere dag geweest zijn, toen je weg mocht uit Donk en jij en Lieve opnieuw in Blankenberge belandden, met zicht op de haven en... de zee, eindelijk. Jij en Smierl (je sportvissersschuitje) op volle zee, dat moet het einde zijn geweest.
Het klinkt bijna als een misselijke grap dat jij uitgerekend tijdens een zwempartijtje bent omgekomen. Of moet zo'n zeejongen als jij niet op 't droge, in een bed sterven? Ik vernam je dood toen ik zowaar over de grote zeesluis reed in Zeebrugge. Symbolischer kon het niet. Hoe kan ik je even herinneren in deze momenten? Een pijp stoppen misschien? Hoeveel papiermanden heb je in de fik gestoken door die achteloos uit te kloppen op de redactie? Ik zal ze oproken en dan voor alle zekerheid... versmoren in een kommetje water.
Vaar (!) wel Jan,
Wim
dinsdag 12 februari 2013
BOB DE GROOF I.M.
Beste Bob,Dat net jij en op deze manier mij uit mijn winterslaap kan halen.
Vorige week al was de zin me bekropen om weer aan 't schrijven te slaan. De winterslaap heeft me deugd gedaan. En het is met enige twijfel dat ik weer het forum beklim. Ik mocht n.a.v. Gedichtendag in Alveringem een keuze maken uit mijn geliefkoosde poëzie. Ik las ook het gedicht "De Slekke" van Guido Gezelle: "wacharme, en ik ben uitgekropen". Redelijk herkenbaar voor Westhoekers. We blijven zo graag in ons eigen slakkenhuis, in 't donker keldergat zitten. De grote wereld en het felle zonlicht (van de spotlights) is niet echt aan ons besteed. En toen was er plots die SMS van een collega om jouw dood te melden...
Ach Bob, hoezeer voelde ik mij als Gezelles Slekke toen ik de eerste weken en maanden in de gangen en kantoren (om maar te zwijgen van de studio's) van het Omroepgebouw in Kortrijk vertoefde. Hoe onbenullig en zelfs achterlijk voelde ik me toen ik jou en Jan De Bruyne bezig hoorde aan tafel over de middag. Een microfoon was vergroeid met jullie arm en Louis Paul Boon, Claus of Julien Schoenaerts hadden jullie al allemaal, soms verschillende keren, dat ding tegen de neus geduwd. Ik deed het in mijn broek om te bellen voor een interview met een schepen van Zuienkerke... Ik was germanist maar moest nog mijn eerste Boon of Claus lezen!
Wat een leermeester heb ik in jou gevonden! Die zachtheid waarmee jij mij (en andere jonge collega's) binnen loodste in de wondere wereld van het échte radiomaken. Jij leerde dat het niet stopte bij het opnemen van een gesprek. Het radiomaken begon toen pas. Je had je meest substantiële ingrediënt maar er moest nog gekookt worden. Jij maakte radio zoals Kobe Desramault kookt: met liefde voor elk onderdeel van je gerecht, met een voorkeur voor het pure, het authentieke, het niet-valse. Goeie radio maken is auditieve gastronomie. De definitie lijkt simpel maar er was iemand als jij nodig om me dat inzicht te geven.
Ik schrijf je uit de Westhoek, Bob. Jawel, ondanks dat vizier, dat jij als erudiet stadsmens zo opentrok, ben ik hier toch gebleven. Je had veel sympathie voor de streek en hebt er met je programma "Inpakken en Westwezen" talloze keren aandacht voor gehad. Het toeristische promopraatje was aan jou niet besteed maar je kon bijna de ziel van de Westhoek vatten in je reportages. Je stuurde ook Wannes van de Velde als writer-in-residence (lang voor dat woord bestond) naar ons dorp, waar hij er het café van Berten en Godelieve beschreef, afgeladen vol opgeblonken oorlogsmunitie. En ik herinner me je anaecdote toen je te gast was op een boerderij in Dranouter. De boerin vertelde dat ze 4 joêrs had, 2 knecht'n en 2 misjes. En jij was de kluts kwijt. "Wat een herenboeren, met twee knechten en twee meiden! En nog eens vier zonen ook!" Het was lachen, 's middags aan tafel, drie hoog boven die lelijke skyline van de stationsbuurt van Kortrijk. De zachtheid van je stem maakte elk verhaal een beetje literatuur.
Toen je, om ergens sous-chef te worden in Brussel, de microfoon en de studio ongeveer voor goed achter je liet (op enkele fantastische radiocolumns na) stierf de Vlaamse radio een beetje. Nu je er zelf ook niet meer bent, besef ik dat die radio nooit meer terugkeert. Laat alsjeblief een of ander radiojong op de VRT het gezegende idee hebben om het volledige werk van jou via podcast ter beschikking te stellen. Want ook radioschoonheid biedt troost.
Dag Bob.
Je nederige leerjongen,
Wim
zondag 11 november 2012
Alles in de wind
Beste Ada, Richard jr, Edith en Herbert,
Op een dag als vandaag, 11 november, moet ik wel iets schrijven over die oorlog van nu bijna 100 jaar geleden. Ongetwijfeld zullen er veel nationale hymnes hebben weerklonken in Ieper, Brussel, London en Parijs. Er zullen kransen zijn neergelegd, minuten stilte gehouden en medailles zullen gedanst hebben op uniformen. Ik heb er allemaal niets mee, met dat uiterlijk vertoon dat toch altijd wat moeilijk het evenwicht weet te houden tussen deemoedig eerbetoon en verheerlijking van het heldendom, tussen internationale verzoening en nationalistisch vendelgezwaai. Ik laat het maar gebeuren, maar ik moest vanmorgen aan jullie denken. Ik denk niet dat één van jullie nog leeft. Ada werd geboren in 1904, Richard een jaar later, Edith was van de zomer 1912 en de kleine Herbert van 13 juli 1914. 27 dagen later werd jullie vader, Richard sr, opgeroepen en tegen eind augustus zou hij al in Vlaanderen arriveren. Heel even leek hij geluk te hebben: een kleine verwonding die hem een blighty bezorgde. Van oktober '14 tot maart '15 was hij thuis. Kleine Herbert was nog altijd geen jaar oud als zijn daddy opnieuw naar Flanders' Fields moest komen op 17 maart. Nog geen twee maanden later zou hij voor eeuwig rust vinden in mijn dorp: Reningelst.
De kinderen van Reningelst, zij die nog niet door de pastoor waren aangemaand om naar de schoolkolonies in Frankrijk te trekken, moeten jullie pa hebben zien liggen. Hij en zijn maats, tientallen, lagen in een lange rij in de weide langs de kerkhofmuur. Als je op het dorpsplein stond kon je ze horen snakken naar adem en met schorre stem schreeuwen om water. Kinderen van Reningelst hebben zijn verbrande, uitpuilende ogen gezien, hebben het schuim op zijn lippen zien staan, hebben de dokter gezien die de hele rij afging om hen een strichninespuit te geven. Op 2 mei 1915 brachten Britse legerlorries de slachtoffers van de gasaanvallen bij Hill 60 binnen in het dorp. En drie dagen later een tweede lading. Toen was jullie dad erbij. In de negen oorlogsmaanden daarvoor zouden er in het dorp hoop en al vier soldaten worden begraven. En dan plots 13 en nog eens 11. Het dorp zou nooit meer hetzelfde zijn als voorheen. De oorlog had het voor goed veranderd. De kleine begraafplaats langs de kerkhofmuur, waar Pa Wardle ligt, zou snel te klein blijken en er kwam een groot New Military Cemetery, achter de school.
Ik vraag me af hoe het voor jullie moeder en voor jullie zelf moet zijn geweest om te vernemen dat jullie vader was gestorven door de... wind. De wind die op bepaalde dagen de rook van de staalfabrieken uit Leeds over jullie huis voerde en op andere dagen de frisse lucht van de Yorkshire Dales. Het kon wel eens kwalijk ruiken, maar dat de wind kon doden. Dat jullie vader was gestorven omdat de wind in de slechte richting blies en mensen met perverte geesten ervoor zorgden dat die wind een verstikkende dood aanvoerde. Hoe was het om dat te horen?
Hoe was de eerste verjaardag van de kleine Herbert, die 13de juli van 1915? Waar dacht je moeder aan toen Bertie diep adem haalde en het kaarsje uitblies?
"From his loving wife and children" staat er op het graf van jullie vader. Er zijn geen uniformen voorbij gemarcheerd vandaag. Geen vlaggen hebben gewapperd of hymnes weerklonken. De middagzon legde zijn zerk in een warme, oranje gloed. Er stond wel een verraderlijk, fijn windje. Ik ben hem gaan groeten, in jullie naam.
Wim
Op een dag als vandaag, 11 november, moet ik wel iets schrijven over die oorlog van nu bijna 100 jaar geleden. Ongetwijfeld zullen er veel nationale hymnes hebben weerklonken in Ieper, Brussel, London en Parijs. Er zullen kransen zijn neergelegd, minuten stilte gehouden en medailles zullen gedanst hebben op uniformen. Ik heb er allemaal niets mee, met dat uiterlijk vertoon dat toch altijd wat moeilijk het evenwicht weet te houden tussen deemoedig eerbetoon en verheerlijking van het heldendom, tussen internationale verzoening en nationalistisch vendelgezwaai. Ik laat het maar gebeuren, maar ik moest vanmorgen aan jullie denken. Ik denk niet dat één van jullie nog leeft. Ada werd geboren in 1904, Richard een jaar later, Edith was van de zomer 1912 en de kleine Herbert van 13 juli 1914. 27 dagen later werd jullie vader, Richard sr, opgeroepen en tegen eind augustus zou hij al in Vlaanderen arriveren. Heel even leek hij geluk te hebben: een kleine verwonding die hem een blighty bezorgde. Van oktober '14 tot maart '15 was hij thuis. Kleine Herbert was nog altijd geen jaar oud als zijn daddy opnieuw naar Flanders' Fields moest komen op 17 maart. Nog geen twee maanden later zou hij voor eeuwig rust vinden in mijn dorp: Reningelst.
De kinderen van Reningelst, zij die nog niet door de pastoor waren aangemaand om naar de schoolkolonies in Frankrijk te trekken, moeten jullie pa hebben zien liggen. Hij en zijn maats, tientallen, lagen in een lange rij in de weide langs de kerkhofmuur. Als je op het dorpsplein stond kon je ze horen snakken naar adem en met schorre stem schreeuwen om water. Kinderen van Reningelst hebben zijn verbrande, uitpuilende ogen gezien, hebben het schuim op zijn lippen zien staan, hebben de dokter gezien die de hele rij afging om hen een strichninespuit te geven. Op 2 mei 1915 brachten Britse legerlorries de slachtoffers van de gasaanvallen bij Hill 60 binnen in het dorp. En drie dagen later een tweede lading. Toen was jullie dad erbij. In de negen oorlogsmaanden daarvoor zouden er in het dorp hoop en al vier soldaten worden begraven. En dan plots 13 en nog eens 11. Het dorp zou nooit meer hetzelfde zijn als voorheen. De oorlog had het voor goed veranderd. De kleine begraafplaats langs de kerkhofmuur, waar Pa Wardle ligt, zou snel te klein blijken en er kwam een groot New Military Cemetery, achter de school.
Ik vraag me af hoe het voor jullie moeder en voor jullie zelf moet zijn geweest om te vernemen dat jullie vader was gestorven door de... wind. De wind die op bepaalde dagen de rook van de staalfabrieken uit Leeds over jullie huis voerde en op andere dagen de frisse lucht van de Yorkshire Dales. Het kon wel eens kwalijk ruiken, maar dat de wind kon doden. Dat jullie vader was gestorven omdat de wind in de slechte richting blies en mensen met perverte geesten ervoor zorgden dat die wind een verstikkende dood aanvoerde. Hoe was het om dat te horen?
Hoe was de eerste verjaardag van de kleine Herbert, die 13de juli van 1915? Waar dacht je moeder aan toen Bertie diep adem haalde en het kaarsje uitblies?
"From his loving wife and children" staat er op het graf van jullie vader. Er zijn geen uniformen voorbij gemarcheerd vandaag. Geen vlaggen hebben gewapperd of hymnes weerklonken. De middagzon legde zijn zerk in een warme, oranje gloed. Er stond wel een verraderlijk, fijn windje. Ik ben hem gaan groeten, in jullie naam.
Wim
dinsdag 6 november 2012
DE KERK IS HET DORP
Onder de niet bepaald goed bekkende titel "Een houtskoolvuur met vis erop en brood" hebt u een document geschreven waarin u, onder andere, pleit voor het fuseren van parochies tot, bijvoorbeeld, de grootte van de huidige gemeenten. In uw eigen kerkprovincie Antwerpen zou dat van 300 naar zo'n 70 parochies gaan. Ook al had u dat niet bedoeld, denkt de modale burger die niet zo thuis is in de manier waarop kerk en staat zich tegenover elkaar verhouden in België, dat er dan meteen zo'n 230 kerken gesloten worden voor de eredienst. Zo ziet u dat niet. Een kerk is meer dan een huis waar op zondag mis wordt gehouden en één parochie hoeft zich niet te beperken tot het werk in één huis Gods.
Ik gebruik maar meteen die term die de katholieke kerk zo graag gebruikt voor een kerkgebouw: het huis van God. Dat neemt u ook zeer letterlijk: God woont in die kerken en eens over de meestal imposante, arduinen of marmeren dorpel betreed je gewijde grond. De kerkleiding en de kerkgemeenschap heeft het dus over veel meer dan die indrukwekkende bouwsels die doorgaans de skyline van een dorp of en stadswijk bepalen. Kerken zijn geen architecturale hoogstandjes of misplaatste getuigen van grootheidswaanzin, het zijn als het ware steen geworden veruitwendigingen van de aanwezigheid van God op aarde. Wie bij het lezen van (of eerder het horen waaien over) uw tekst zijn boontjes te week legt op die fantastische, steeds interessant gelegen, doorgaans goed onderhouden, openbare gebouwen om er weet ik wat nog al mee te doen, moet zijn enthousiasme dus nog wel even opbergen.
En toch, eerwaarde, heeft u ook mij aan het denken, het dromen gezet. Neem nu de Westhoek. Ik hoef u de regio niet te leren kennen, als Oostendenaar zal u wel ooit eens terecht gekomen zijn in de buurt, of beperkten de familie-uitstapjes zich tot het pretpark voor misdienaars Dadipark? Neem nu Poperinge: een stad van net geen 20.000 inwoners en liefst 11 parochiekerken op haar grondgebied. Ik wil geen wiskundige formuletjes opdissen om te bewijzen dat dat aan de hoge kant ligt voor het vermoedelijk aantal praktiserende gelovigen. Wiskunde is niet gemaakt om over emotie te redeneren. En het ligt natuurlijk erg emotioneel. De dorpskerk van Reningelst, waar ik ben gedoopt, vind ik een fantastisch gebouw en op welke hoogte ik ook mag staan in de omtrek, het zal altijd die toren zijn waar ik naar op zoek ga en het vinden ervan bezorgt me een warme gloed. De kerk van 't dorp, dat is ons dorp. Maar, eerwaarde, ik vind dat ik er zo weinig gebruik kan van maken. Ik heb namelijk niets meer met wat daar wordt verteld en beweerd, ook al besef ik dat we beter af waren als iedereen uit godsvrees het tweede gebod "Bemin uw naaste zoals uzelf"zou opvolgen. Het wereldlijke alternatief voor naastenliefde, solidariteit, blijkt in deze egoïstische tijden niet echt aan te slaan. U moet er de verkiezingsuitslagen maar eens op naslaan...
Maar goed, die dorpskerk, die niet alleen emotioneel van mij is, maar ook letterlijk want het is mijn belastingsgeld dat het gebouw recht houdt; die dorpskerk zou ik ook graag een beetje voor mij willen hebben. Maar dat ligt moeilijk, vanwege die gewijde grond. En ik weet dus niet hoelang dat nog vol te houden is, beste eerwaarde. In hartje Poperinge staan drie monumentale kerken, samen goed voor wel een hectare vloer en dan praat ik nog niet over de hoogte ervan. Ze staan centraal, strategisch en zijn alle drie beschermd. Dat betekent dat wij, de gemeenschap, ze sowieso moeten onderhouden. Ik hou mijn boontjes op 't droge maar ik heb al bijzonder leuke dingen zien gebeuren in ontwijde kerken: theater, concerten, in Maastricht is de mooiste boekhandel van ons taalgebied ondergebracht in een kerk en in Haarlem wordt zelfs bier gebrouwen in een kerk. Wou u er een eetfestijntje houden met visjes en brood, op houtskoolvuur?
Met eerbiedwaardige groeten,
Wim
Labels:
Johan Bonny,
Poperinge,
Reningelst,
Westhoek,
Wim Chielens
dinsdag 16 oktober 2012
Lokaal werk op de plank!
Beste Tim Pauwels,
Ik vernam gisteren dat je de politieke journalistiek (tijdelijk) verlaat. Ik wens je 't beste in je nieuwe baan als deontoloog van de VRT. Het moet wel lukken dat ik je net niet zo erg wou feliciteren met wat dan blijkbaar je laatste journalistieke wapenfeit was: het kopstukkendebat van afgelopen zondag. Het klopt sowieso al niet zo'n debat, na gemeenteraadsverkiezingen, want er zijn een veelvoud van 589 kopstukken in evenveel Belgische gemeenten. Ja, ik zeg 't maar even dat het verkiezingen waren in heel België, een land dat tot nader orde nog even bestaat. Maar goed, ik wil nog aannemen dat zo'n debat erbij hoort na zo'n dag. Maar dat je dan na twee minuten al toelaat dat het eigenlijk alleen nog gaat over juni 2014 en de nationale verkiezingen die we dan te verwerken krijgen. Dat jij de heren kopstukken daarover niet op de vingers hebt getikt en ze opnieuw naar het lokale debat hebt gedreven, neem ik je een beetje kwalijk. Trouwens, de hele VRT heeft deze lokale verkiezingen in zijn totaliteit veel te nationaal aangepakt, alsof ze waterdragers waren voor die partij die dat zo graag wou. Al wil ik je graag geloven als je oprecht beweert dat jij persoonlijk kleurloos bent.
Nochtans, beste Tim, je kent de Westhoek goed. Je bent er een regelmatige gast. Afgelopen zomer nog was je één van de allereerste gasten in onze Kinderbrouwerij in Reningelst, op zondag 1 juli, een beetje puffend van het fietsen, biologisch tuinsapje in de hand. Dus zou je verdomd goed moeten weten dat er werk op de plank is in al die lokale besturen. Dat het er echt wel om doet, heel lokaal, in al die gemeenten. En dat dat helemaal niet stilvalt in juni 2014. Dat er werk genoeg is om door te gaan tot 2018. We hebben in de Westhoek een Frans-Belgische grens waarvan we in 2013 de 300ste verjaardag herdenken. Er is een Wereldoorlog waarvan we de 100ste verjaardag herdenken, tot in 2018! Maar het gaat om veel meer dan die dingen waarover we tot in Brussel willen roepen. Er moet hier ook gewoon plaats zijn voor onze kinderen om te spelen, om school te lopen, om voor en na school opgevangen te worden, om veilig te fietsen. En hun ouders willen graag in de streek werken en zich ontspannen, in sportzalen en culturele centra, in parken en bossen. Ze willen naar winkels rijden en er parkeren. Ze willen open weilanden en akkers. En hun grootouders willen liefst in hun huisje blijven wonen, met thuisverpleging en een taxidienst om ook nog eens door die winkel te kunnen lopen, schuifelend met de rolator. Of als 't niet meer lukt, willen ze een bed in een rusthuis, met zicht op de kerktoren van het dorp waar ze zijn geboren, waar ze hun kinderen hebben zien opgroeien. Ze willen hun kleinkinderen voor het raam zien passeren onderweg naar school. Zie je, Tim, dat zijn dingen waar die lokale politici allemaal mee bezig zijn, moeten zijn of zo niet dan worden ze er wel constant op aangesproken. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat die kopstukken daar niet bepaald van wakker lagen. Ze gaven mij de kwalijke indruk dat politici op de avond van de verkiezingen zich vooral zorgen maken over de volgende verkiezingen. En geloof me, lokale politici zitten niet zo in mekaar. Want zij moeten elke dag weer de straat op, onderweg naar hun gewone werk. Geen kans om wereldvreemd te worden!
Kijk, beste Tim Pauwels, dat had je ook wel eens mogen zeggen op je laatste werkdag als politiek journalist. Maar deontologisch zou dat niet helemaal koosjer zijn geweest, zeker?
Beste groeten uit Reningelst en altijd welkom voor een tuinsapje of een lokaal biertje,
Wim
Ik vernam gisteren dat je de politieke journalistiek (tijdelijk) verlaat. Ik wens je 't beste in je nieuwe baan als deontoloog van de VRT. Het moet wel lukken dat ik je net niet zo erg wou feliciteren met wat dan blijkbaar je laatste journalistieke wapenfeit was: het kopstukkendebat van afgelopen zondag. Het klopt sowieso al niet zo'n debat, na gemeenteraadsverkiezingen, want er zijn een veelvoud van 589 kopstukken in evenveel Belgische gemeenten. Ja, ik zeg 't maar even dat het verkiezingen waren in heel België, een land dat tot nader orde nog even bestaat. Maar goed, ik wil nog aannemen dat zo'n debat erbij hoort na zo'n dag. Maar dat je dan na twee minuten al toelaat dat het eigenlijk alleen nog gaat over juni 2014 en de nationale verkiezingen die we dan te verwerken krijgen. Dat jij de heren kopstukken daarover niet op de vingers hebt getikt en ze opnieuw naar het lokale debat hebt gedreven, neem ik je een beetje kwalijk. Trouwens, de hele VRT heeft deze lokale verkiezingen in zijn totaliteit veel te nationaal aangepakt, alsof ze waterdragers waren voor die partij die dat zo graag wou. Al wil ik je graag geloven als je oprecht beweert dat jij persoonlijk kleurloos bent.Nochtans, beste Tim, je kent de Westhoek goed. Je bent er een regelmatige gast. Afgelopen zomer nog was je één van de allereerste gasten in onze Kinderbrouwerij in Reningelst, op zondag 1 juli, een beetje puffend van het fietsen, biologisch tuinsapje in de hand. Dus zou je verdomd goed moeten weten dat er werk op de plank is in al die lokale besturen. Dat het er echt wel om doet, heel lokaal, in al die gemeenten. En dat dat helemaal niet stilvalt in juni 2014. Dat er werk genoeg is om door te gaan tot 2018. We hebben in de Westhoek een Frans-Belgische grens waarvan we in 2013 de 300ste verjaardag herdenken. Er is een Wereldoorlog waarvan we de 100ste verjaardag herdenken, tot in 2018! Maar het gaat om veel meer dan die dingen waarover we tot in Brussel willen roepen. Er moet hier ook gewoon plaats zijn voor onze kinderen om te spelen, om school te lopen, om voor en na school opgevangen te worden, om veilig te fietsen. En hun ouders willen graag in de streek werken en zich ontspannen, in sportzalen en culturele centra, in parken en bossen. Ze willen naar winkels rijden en er parkeren. Ze willen open weilanden en akkers. En hun grootouders willen liefst in hun huisje blijven wonen, met thuisverpleging en een taxidienst om ook nog eens door die winkel te kunnen lopen, schuifelend met de rolator. Of als 't niet meer lukt, willen ze een bed in een rusthuis, met zicht op de kerktoren van het dorp waar ze zijn geboren, waar ze hun kinderen hebben zien opgroeien. Ze willen hun kleinkinderen voor het raam zien passeren onderweg naar school. Zie je, Tim, dat zijn dingen waar die lokale politici allemaal mee bezig zijn, moeten zijn of zo niet dan worden ze er wel constant op aangesproken. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat die kopstukken daar niet bepaald van wakker lagen. Ze gaven mij de kwalijke indruk dat politici op de avond van de verkiezingen zich vooral zorgen maken over de volgende verkiezingen. En geloof me, lokale politici zitten niet zo in mekaar. Want zij moeten elke dag weer de straat op, onderweg naar hun gewone werk. Geen kans om wereldvreemd te worden!
Kijk, beste Tim Pauwels, dat had je ook wel eens mogen zeggen op je laatste werkdag als politiek journalist. Maar deontologisch zou dat niet helemaal koosjer zijn geweest, zeker?
Beste groeten uit Reningelst en altijd welkom voor een tuinsapje of een lokaal biertje,
Wim
dinsdag 9 oktober 2012
Stemplicht
Beste Lezer,
Ik ben nu in de eerste plaats een brief aan jou verschuldigd want sinds 11 september (hoe dwaas kan je zijn om precies dan te schrijven?) heb ik niets meer van me laten horen. Ik heb schoon schrijven over die rustige Westhoek en dat trage ritme dat we er hier op na houden. Niks van, ik hol mezelf achterna! Gek genoeg dikwijls ook om dingen te realiseren waardoor mensen precies wél zouden kunnen genieten van die Westhoek zoals ik hem graag heb, zoals ik hem beleef, zoals de Westhoek en bij uitbreiding de hele wereld er op zijn mooist op staat. Ik wil dat ze muziek horen of zelf spelen, dat ze goed theater te zien krijgen, dat ze creatief bezig kunnen zijn, dat ze ook in hun glas en op hun bord van de authenticiteit van de Westhoek kunnen genieten, dat ze verrassende plekken ontdekken, dat ze die verdomde oorlog hier weervinden en vertrekken met een krop in de keel. Al die dingen. Daar ben ik mee begaan. En dat kost tijd, in mijn betaalde baan, in mijn artistieke bezigheden, in mijn engagement in de Westhoek. Het is de paradox van de actieve mens. De sterrenchef die haastig een croque achter de kiezen duwt, de onderwijzer die geen tijd heeft om zelf nog bij te leren, de schrijver die niet meer aan lezen toe komt...
Of zouden het die verkiezingen van zondag zijn die mij een schrijfkramp bezorgen? Ik behoed mij om me in het debat te mengen, tenzij ik het mag modereren natuurlijk... Ik ben niet vies van politiek. Wie een beetje actief is, doet altijd aan politiek. In wat je doet breng je mensen samen of je scheidt ze van elkaar. Je spant ze voor een maatschappelijke kar, je getuigt hen of overtuigt ze van je maatschappelijke visie, je maakt zelfs economische en ecologische keuzes. Je doet aan politiek, ook al is dat geen partijpolitiek. Het is op eieren lopen dezer dagen want de politiek die je in je leven voert, heeft dikwijls meer dan één partijkleur. Nu ook weer geen zeven. En al helemaal niet die... Ik bewonder ze, de mannen en vrouwen die de voorbije maanden hun nek hebben uitgestoken om kleur te bekennen en zich hebben geëngageerd om één bepaalde politieke, nee, partijpolitieke visie uit te dragen. Het dingen naar die stem is altijd wat sneu. Het heeft iets zieligs maar ik voel veel mededogen voor hen. Mijn baan is altijd het perfecte alibi geweest om niet in de partijpolitiek te stappen maar daarzonder zou ik misschien ook wel laf genoeg geweest zijn om het niet te doen. Om aan de wal te blijven roepen dat het schip stuurloos rondzwalpt. Nee, ik heb met ze te doen en ik bewonder ze mateloos. Aan mijn stemplicht voldoen is, is de enige dienst die ik hen kan bewijzen.
En dan stem ik voor wat traagheid, voor tijd om wat te genieten van die Westhoek van ons en voor wie die graag wil delen met andere mensen. 25 moeten we er vinden in Poperinge. Dat moet toch mogelijk zijn... Misschien moet ik hen dan maar een brief schrijven, na zondag.
Wim
Ik ben nu in de eerste plaats een brief aan jou verschuldigd want sinds 11 september (hoe dwaas kan je zijn om precies dan te schrijven?) heb ik niets meer van me laten horen. Ik heb schoon schrijven over die rustige Westhoek en dat trage ritme dat we er hier op na houden. Niks van, ik hol mezelf achterna! Gek genoeg dikwijls ook om dingen te realiseren waardoor mensen precies wél zouden kunnen genieten van die Westhoek zoals ik hem graag heb, zoals ik hem beleef, zoals de Westhoek en bij uitbreiding de hele wereld er op zijn mooist op staat. Ik wil dat ze muziek horen of zelf spelen, dat ze goed theater te zien krijgen, dat ze creatief bezig kunnen zijn, dat ze ook in hun glas en op hun bord van de authenticiteit van de Westhoek kunnen genieten, dat ze verrassende plekken ontdekken, dat ze die verdomde oorlog hier weervinden en vertrekken met een krop in de keel. Al die dingen. Daar ben ik mee begaan. En dat kost tijd, in mijn betaalde baan, in mijn artistieke bezigheden, in mijn engagement in de Westhoek. Het is de paradox van de actieve mens. De sterrenchef die haastig een croque achter de kiezen duwt, de onderwijzer die geen tijd heeft om zelf nog bij te leren, de schrijver die niet meer aan lezen toe komt...Of zouden het die verkiezingen van zondag zijn die mij een schrijfkramp bezorgen? Ik behoed mij om me in het debat te mengen, tenzij ik het mag modereren natuurlijk... Ik ben niet vies van politiek. Wie een beetje actief is, doet altijd aan politiek. In wat je doet breng je mensen samen of je scheidt ze van elkaar. Je spant ze voor een maatschappelijke kar, je getuigt hen of overtuigt ze van je maatschappelijke visie, je maakt zelfs economische en ecologische keuzes. Je doet aan politiek, ook al is dat geen partijpolitiek. Het is op eieren lopen dezer dagen want de politiek die je in je leven voert, heeft dikwijls meer dan één partijkleur. Nu ook weer geen zeven. En al helemaal niet die... Ik bewonder ze, de mannen en vrouwen die de voorbije maanden hun nek hebben uitgestoken om kleur te bekennen en zich hebben geëngageerd om één bepaalde politieke, nee, partijpolitieke visie uit te dragen. Het dingen naar die stem is altijd wat sneu. Het heeft iets zieligs maar ik voel veel mededogen voor hen. Mijn baan is altijd het perfecte alibi geweest om niet in de partijpolitiek te stappen maar daarzonder zou ik misschien ook wel laf genoeg geweest zijn om het niet te doen. Om aan de wal te blijven roepen dat het schip stuurloos rondzwalpt. Nee, ik heb met ze te doen en ik bewonder ze mateloos. Aan mijn stemplicht voldoen is, is de enige dienst die ik hen kan bewijzen.
En dan stem ik voor wat traagheid, voor tijd om wat te genieten van die Westhoek van ons en voor wie die graag wil delen met andere mensen. 25 moeten we er vinden in Poperinge. Dat moet toch mogelijk zijn... Misschien moet ik hen dan maar een brief schrijven, na zondag.
Wim
dinsdag 11 september 2012
Zoektocht naar een vorig leven
Beste Bram,
Ik schrijf je een paar dagen later dan voorzien maar het is altijd zo druk hier, ja, ook hier in de Westhoek. Acht jaar al... Ik schrik me rot, acht jaar al sinds je daar in Italië het leven liet. "Het" leven zeg ik maar jij dacht eerder "dit" leven want je wist dat je er nog een paar te goed had, zoals je ook wist welk je voor dit leven had geleid.
Ik was erbij toen je voor 't allereerst "vreemde gewaarwordingen" had gekregen in de frontstreek, hier, rond Ieper. Ik werkte voor de radio en kwam een reportage maken over jou terwijl je bezig was met het draaien van de televisiedocumentaire "Duizend Bommen en Granaten". We hadden afgesproken bij het graf van John Condon in Poelkapelle en later die avond in Ieper. Toen vertelde je dat bizarre verhaal dat je, na ons gesprek, daar op die begraafplaats in Poelkapelle, in slaap was gevallen. Jij niet alleen maar de hele televisieploeg en dat jullie pas een uur of meer later opnieuw wakker werden en dachten dat er nauwelijks vijf minuten waren voorbij gegaan. De lage avondzon sprak dat tegen. Rare jongens, die Nederlanders, dacht ik toen. Het was 1990.
Zes jaar later. Broer Piet en ik hebben een brievenboek afgewerkt over de dichters die in de Ypres Salient streden en erover schreven. Het lijkt onwaarschijnlijk nu, maar zelfs de Britse War Poets waren toen nauwelijks bekend in Vlaanderen. Alleen het gedicht "In Flanders Fields" van John Mc Crae kende iedereen, van buiten. Ik had via de radio contact met je gehouden. Het waren jouw gloriedagen in Vlaanderen met twee fantastische CD's: "Vriend en Vijand" en "Achter mijn ogen". Ik draaide ze grijs in mijn programma's en je was vaak live te gast. Het leek me een aardig idee om jou te vragen om ons boek in te leiden, al was ik niet zeker of je nog wel in die Groote Oorlog geïnteresseerd was gebleven. Het is daar, die bloedhete avond in augustus van 1996, op de trappen van het kasteel van Zonnebeke, dat jij voor het eerst iets heel vreemd verkondigde. Het boek was mooi en interessant maar "ik hoef het niet te lezen", zei je, "mij hoef je die vreselijke dingen niet te vertellen, want ik was erbij..." Ik zag vreemde blikken in het publiek en de reacties op jouw rede waren eerder gekenmerkt door verwarring dan door herkenning, laat staan erkenning.
Je zoektocht naar dat vorige leven heeft je niet meer losgelaten en het beeld werd steeds scherper, de meewarige blikken en handgebaren ("zot!") steeds luider en heftiger. Je bleek een Waalse officier te zijn geweest in het Belgische leger. Ik wist eerlijk gezegd ook niet wat ik ermee moest maar je vertelde het met verve en je schreef er prachtige liederen over voor je album "Oorlog aan de oorlog".
Vlaanderen omarmde je, terwijl je in Nederland toch vaak de mindere, soms zelf mislukte helft van "Neerlands Hoop" zou blijven. En toch zal jouw liefde voor de Westhoek en de bezetenheid waarmee je schreef, filmde en zong over de Eerste Wereldoorlog, er niet helemaal vreemd aan zijn dat het leger Nederlanders dat tegenwoordig elk jaar naar Ieper komt, in 15 jaar tijd tig, zoals Nederlanders dat zeggen, tig keer groter is geworden. Heeft iemand je daar ooit voor bedankt, Bram? Of bleven ze je toch maar een rare Hollander vinden, met een veel te grote bek en een te luide lach? Die lach van je, Bram, ik kan hem zo weer oproepen. En hij zat nog in mijn oren van op het festival in Dranouter, toen dat onwaarschijnlijke bericht kwam. Uit Italië, 4 september 2004.
Maar weet je, met al jouw bizarre verhalen over reïncarnatie, heb ik soms ook gewoon het gevoel dat je er nog bent. Je bent erbij, Bram. Wanneer drinken we nog es wat en lachen we wat af?
Wim
Ik schrijf je een paar dagen later dan voorzien maar het is altijd zo druk hier, ja, ook hier in de Westhoek. Acht jaar al... Ik schrik me rot, acht jaar al sinds je daar in Italië het leven liet. "Het" leven zeg ik maar jij dacht eerder "dit" leven want je wist dat je er nog een paar te goed had, zoals je ook wist welk je voor dit leven had geleid.Ik was erbij toen je voor 't allereerst "vreemde gewaarwordingen" had gekregen in de frontstreek, hier, rond Ieper. Ik werkte voor de radio en kwam een reportage maken over jou terwijl je bezig was met het draaien van de televisiedocumentaire "Duizend Bommen en Granaten". We hadden afgesproken bij het graf van John Condon in Poelkapelle en later die avond in Ieper. Toen vertelde je dat bizarre verhaal dat je, na ons gesprek, daar op die begraafplaats in Poelkapelle, in slaap was gevallen. Jij niet alleen maar de hele televisieploeg en dat jullie pas een uur of meer later opnieuw wakker werden en dachten dat er nauwelijks vijf minuten waren voorbij gegaan. De lage avondzon sprak dat tegen. Rare jongens, die Nederlanders, dacht ik toen. Het was 1990.
Zes jaar later. Broer Piet en ik hebben een brievenboek afgewerkt over de dichters die in de Ypres Salient streden en erover schreven. Het lijkt onwaarschijnlijk nu, maar zelfs de Britse War Poets waren toen nauwelijks bekend in Vlaanderen. Alleen het gedicht "In Flanders Fields" van John Mc Crae kende iedereen, van buiten. Ik had via de radio contact met je gehouden. Het waren jouw gloriedagen in Vlaanderen met twee fantastische CD's: "Vriend en Vijand" en "Achter mijn ogen". Ik draaide ze grijs in mijn programma's en je was vaak live te gast. Het leek me een aardig idee om jou te vragen om ons boek in te leiden, al was ik niet zeker of je nog wel in die Groote Oorlog geïnteresseerd was gebleven. Het is daar, die bloedhete avond in augustus van 1996, op de trappen van het kasteel van Zonnebeke, dat jij voor het eerst iets heel vreemd verkondigde. Het boek was mooi en interessant maar "ik hoef het niet te lezen", zei je, "mij hoef je die vreselijke dingen niet te vertellen, want ik was erbij..." Ik zag vreemde blikken in het publiek en de reacties op jouw rede waren eerder gekenmerkt door verwarring dan door herkenning, laat staan erkenning.
Je zoektocht naar dat vorige leven heeft je niet meer losgelaten en het beeld werd steeds scherper, de meewarige blikken en handgebaren ("zot!") steeds luider en heftiger. Je bleek een Waalse officier te zijn geweest in het Belgische leger. Ik wist eerlijk gezegd ook niet wat ik ermee moest maar je vertelde het met verve en je schreef er prachtige liederen over voor je album "Oorlog aan de oorlog".
Vlaanderen omarmde je, terwijl je in Nederland toch vaak de mindere, soms zelf mislukte helft van "Neerlands Hoop" zou blijven. En toch zal jouw liefde voor de Westhoek en de bezetenheid waarmee je schreef, filmde en zong over de Eerste Wereldoorlog, er niet helemaal vreemd aan zijn dat het leger Nederlanders dat tegenwoordig elk jaar naar Ieper komt, in 15 jaar tijd tig, zoals Nederlanders dat zeggen, tig keer groter is geworden. Heeft iemand je daar ooit voor bedankt, Bram? Of bleven ze je toch maar een rare Hollander vinden, met een veel te grote bek en een te luide lach? Die lach van je, Bram, ik kan hem zo weer oproepen. En hij zat nog in mijn oren van op het festival in Dranouter, toen dat onwaarschijnlijke bericht kwam. Uit Italië, 4 september 2004.
Maar weet je, met al jouw bizarre verhalen over reïncarnatie, heb ik soms ook gewoon het gevoel dat je er nog bent. Je bent erbij, Bram. Wanneer drinken we nog es wat en lachen we wat af?
Wim
donderdag 30 augustus 2012
DE TRADITIE VAN MONDGYMNASTIEK
Geachte Gerard Vermeersch,
"Avelgem, djudedju..." Dat zeggen mensen altijd als uw naam valt. Ik durf u niet te tutoyeren, daarvoor was u misschien te zeer van een andere generatie. Van 1923, dat is maar drie jaar jonger dan mijn vader maar u bent wel meer dan 25 jaar vroeger gestorven. Ik heb u één keer live meegemaakt, in de patronagezaal van Reningelst. Dat was toen nog een bescheiden cultuurtempeltje waar het plaatselijke Davidsfonds Heuvelland (jawel, Heuvelland...) kleine iconen van het Vlaamse theater en de kleinkunst naartoe haalde. Jan de Wilde, Miek & Roel, Hugo Raspoet, Theater Ivonne Lex, Het Reizend Volkstheater, noem ze, de coryfeeën van toen en ze hebben er gestaan, in die patronage. En dus ook u, meneer Vermeersch. U was éénoog in het land der blinden, als conférencier/cabaretier had u geen concurrentie in Vlaanderen en dus heetten uw collega's Toon Hermans of Wim Sonneveld. U had de mosterd ook daar gehaald. U vertelde nog een goed verhaal, u werkte nog aan de ontwikkeling van een sketch, met verrassende wendingen en een échte pointe. Dat is wat anders dan die stand-up comedians die menen al grappig te zijn bij het uitstoten van de naam van een politicus of een lid van de koninklijke familie. Of die hufterige oneliners aan elkaar rijgen zonder ook maar één moment de indruk te wekken dat ze een "programma" hebben. Ze trekken een blik grappen (bemerk de cursieve druk) open en als de klok te traag voorbij tikt, trekken ze een tweede blik open, met een iets meer belegen inhoud maar whatthefuck... Respect tonen voor je publiek hoort niet bij een stand-upper, toch? Maar pas op, het begint te dagen en de vakmannen snappen ondertussen dat het "wat meer mag zijn". Wim Helzen krijgt dan toch nog gezelschap in Vlaanderen.
Maar, ik schrijf u eigenlijk helemaal niet om, via u, de hedendaagse Vlaamse grappenmakers neer te sabelen, meneer Vermeersch. Ik schrijf u omdat straks op 1 september het schooljaar opnieuw begint, ook voor mij als directeur van de Kunstacademie. Ik ben daar, onder andere, directeur van de woordafdeling. Terwijl ik, als kind en tiener, nooit zelf naar de academie ben geweest! Wat een blasfemie, zal u zeggen. Wel nee, meneer Vermeersch, want u startte zelf een traditie in de colleges van Ieper en Poperinge waarbij er een belangrijke plaats op het uurrooster was weggelegd voor het vak "dictie". Die traditie werd ook na uw vertrek en later uw dood, in die colleges voortgezet. In die zin had ik deze brief ook kunnen openen met "Beste Roger en Jacques", ja kijk, die mensen durven ik dan toch, zij het met enige schroom, tutoyeren. Zij bezorgden mij hét lesuur om naar uit te kijken. Ze ramden de vette "e", "i" en "u" uit ons gehemelte, gaven ons tongbrekers als mondgymnastiek maar maakten ons vooral ook vertrouwd met lichtvoetige poëzie en flarden toneel, waar je volop spelplezier aan kon beleven. Ziet u, meneer Vermeersch (en Roger en Jacques), zo maakten jullie zo'n afdeling Woord aan een Muziekschool, quasi overbodig. En al helemaal voor jongetjes van "de buiten", zoals ik er een was. Dat is een pluim voor u en uw volgelingen maar het zegt natuurlijk ook veel over de tijdsgeest en het belang dat men toen nog hechtte aan de totale ontwikkeling van de mens. De homo moest niet alleen sapiens zijn, hij mocht ook ludens zijn, smaak hebben, engagement tonen, een geweten hebben en van alle markten (een beetje) thuis zijn.
Sinds de economie het onderwijs dicteert en de grabbelcultuur hoogtij viert, is uw soort, meneer Vermeersch, quantité négligable geworden en kan alleen de afgebladderde verf aan de muren van de patronagezaaltjes overal ten lande nog vertellen over die tijd dat het volk nog naar 't theater geschopt werd. In zo'n tijden is de Kunstacademie waar straks een nieuw schooljaar begint, onontbeerlijk, haast levensnoodzakelijk geworden. Waar anders wordt "schoonheid" nog een beetje ernstig genomen?
Bedankt meneer Vermeersch en mocht het u van dienst zijn, de Kwaremont is weer dicht,
Wim
"Avelgem, djudedju..." Dat zeggen mensen altijd als uw naam valt. Ik durf u niet te tutoyeren, daarvoor was u misschien te zeer van een andere generatie. Van 1923, dat is maar drie jaar jonger dan mijn vader maar u bent wel meer dan 25 jaar vroeger gestorven. Ik heb u één keer live meegemaakt, in de patronagezaal van Reningelst. Dat was toen nog een bescheiden cultuurtempeltje waar het plaatselijke Davidsfonds Heuvelland (jawel, Heuvelland...) kleine iconen van het Vlaamse theater en de kleinkunst naartoe haalde. Jan de Wilde, Miek & Roel, Hugo Raspoet, Theater Ivonne Lex, Het Reizend Volkstheater, noem ze, de coryfeeën van toen en ze hebben er gestaan, in die patronage. En dus ook u, meneer Vermeersch. U was éénoog in het land der blinden, als conférencier/cabaretier had u geen concurrentie in Vlaanderen en dus heetten uw collega's Toon Hermans of Wim Sonneveld. U had de mosterd ook daar gehaald. U vertelde nog een goed verhaal, u werkte nog aan de ontwikkeling van een sketch, met verrassende wendingen en een échte pointe. Dat is wat anders dan die stand-up comedians die menen al grappig te zijn bij het uitstoten van de naam van een politicus of een lid van de koninklijke familie. Of die hufterige oneliners aan elkaar rijgen zonder ook maar één moment de indruk te wekken dat ze een "programma" hebben. Ze trekken een blik grappen (bemerk de cursieve druk) open en als de klok te traag voorbij tikt, trekken ze een tweede blik open, met een iets meer belegen inhoud maar whatthefuck... Respect tonen voor je publiek hoort niet bij een stand-upper, toch? Maar pas op, het begint te dagen en de vakmannen snappen ondertussen dat het "wat meer mag zijn". Wim Helzen krijgt dan toch nog gezelschap in Vlaanderen.Maar, ik schrijf u eigenlijk helemaal niet om, via u, de hedendaagse Vlaamse grappenmakers neer te sabelen, meneer Vermeersch. Ik schrijf u omdat straks op 1 september het schooljaar opnieuw begint, ook voor mij als directeur van de Kunstacademie. Ik ben daar, onder andere, directeur van de woordafdeling. Terwijl ik, als kind en tiener, nooit zelf naar de academie ben geweest! Wat een blasfemie, zal u zeggen. Wel nee, meneer Vermeersch, want u startte zelf een traditie in de colleges van Ieper en Poperinge waarbij er een belangrijke plaats op het uurrooster was weggelegd voor het vak "dictie". Die traditie werd ook na uw vertrek en later uw dood, in die colleges voortgezet. In die zin had ik deze brief ook kunnen openen met "Beste Roger en Jacques", ja kijk, die mensen durven ik dan toch, zij het met enige schroom, tutoyeren. Zij bezorgden mij hét lesuur om naar uit te kijken. Ze ramden de vette "e", "i" en "u" uit ons gehemelte, gaven ons tongbrekers als mondgymnastiek maar maakten ons vooral ook vertrouwd met lichtvoetige poëzie en flarden toneel, waar je volop spelplezier aan kon beleven. Ziet u, meneer Vermeersch (en Roger en Jacques), zo maakten jullie zo'n afdeling Woord aan een Muziekschool, quasi overbodig. En al helemaal voor jongetjes van "de buiten", zoals ik er een was. Dat is een pluim voor u en uw volgelingen maar het zegt natuurlijk ook veel over de tijdsgeest en het belang dat men toen nog hechtte aan de totale ontwikkeling van de mens. De homo moest niet alleen sapiens zijn, hij mocht ook ludens zijn, smaak hebben, engagement tonen, een geweten hebben en van alle markten (een beetje) thuis zijn.
Sinds de economie het onderwijs dicteert en de grabbelcultuur hoogtij viert, is uw soort, meneer Vermeersch, quantité négligable geworden en kan alleen de afgebladderde verf aan de muren van de patronagezaaltjes overal ten lande nog vertellen over die tijd dat het volk nog naar 't theater geschopt werd. In zo'n tijden is de Kunstacademie waar straks een nieuw schooljaar begint, onontbeerlijk, haast levensnoodzakelijk geworden. Waar anders wordt "schoonheid" nog een beetje ernstig genomen?
Bedankt meneer Vermeersch en mocht het u van dienst zijn, de Kwaremont is weer dicht,
Wim
vrijdag 3 augustus 2012
SPOTS OFF WEST
Beste Frank en maten van Open Doek,
Ja, 't was een beetje een cultuurschok toen ik van bij jullie op Spots op West diezelfde zondag nog vertrok naar de Provence. De volgende middag liepen we door Avignon door een woud van affiches voor theatervoorstellingen, geplakt op karton en gebonden rond hekken, lantaarnpalen, brugrelingen, verkeersborden tot standbeelden en levende mensen toe. Ik kwam van een theaterfestival en ging naar volgend. Kleiner kon de overgang niet zijn? Nee, groter kan je je ze niet indenken. Jullie gingen er prat op dat je op vier dagen tijd meer dan 100 voorstellingen kon aanbieden. Weet je dat dat er een pak meer zijn dan op het festival van Avignon? 't Is te zeggen op het officiële festival. Dat festival waarvoor je, vermoed ik, achterpoortjes moet kennen om er kaartjes voor te bemachtigen. Wij slaagden er alvast niet in, ook niet op de eerste dag van de ticketverkoop... Maar het is niet dàt festival waarmee de bezoeker in Avignon wordt geconfronteerd. Wat zeg ik: geconfronteerd? Waarmee ze je om de oren slaan, dat je in je gezicht krijgt geslingerd. Nee, dat is het Off-festival. Het niet-officiële festival waar theatergezelschappen van over heel de wereld een plaatsje hebben bemachtigd in één van de meer dan honderd theaters, al of niet geïmproviseerd in een loods of gewoon in een binnentuin. Op Aviginon Off staan per dag soms meer dan DUIZEND voorstellingen geprogrammeerd. Echt waar. Op 11 juli: 1019 spectacles, op 19 juli 1035 en op 21 juli liefst 1038 spectacles. Er zijn ook zwakke dagen met maar 931 voorstellingen, op 23 juli... Ik wil maar zeggen, de proporties van dat festival van Aviginon, dat kan een mens zich niet voorstellen. Op die bewuste 21ste juli begint de eerste voorstelling dan ook al om 9u20 en om middernacht starten nog 3 zogenaamde spectacles... In 't Totaal werden zo'n 50.000 tickets verkocht.
Waarom schrijf ik je dit allemaal, Frank? Om "Spots op West" belachelijk te maken? Belange niet. Want, als het een troost mag wezen: we hebben fantastisch prachtige dingen gezien in Avignon maar ook héél erg zwakke voorstellingen, van dat Frans geleuter, intellectuele worstendraaierij, tètètè en blablabla maar waar gaat het over? Ken je 't? En dan zijn we nog niet eens naar één van die honderd voorstellingen gaan kijken die de Franse evenknie van "Tante Jutta uit Calcutta" zijn, Franse flutcomedies van treize in een douzaine. Wat dat betreft heb ik de indruk dat je je op "Spots op West" veel minder kan mispakken aan een voorstelling. Jullie kwaliteit ligt, voor zover ik dat kan inschatten, vrij hoog. Maar wat ik wél mis bij jullie is het festivalgevoel en het engagement van de groepen. Je kan in het tweede weekend van juli door Westouter rijden en, als je niet écht goed kijkt, niet weten dat er een festival aan de gang is. En dan is er dat engagement van de groepen. In Avignon word je om de meter van zodra je binnen de stadsmuren bent, aangeklampt door flyeraars, straatkunstenaars en hele gezelschappen die een soort "trailers" voor hun voorstelling spelen om je toch maar in hun zaal te krijgen. De reden daartoe is simpel: elk gezelschap in heel West-Europa wil dolgraag op Avignon staan, dit jaar en liefst opnieuw volgend jaar. Maar wie voor een lege zaal speelt, mag een uitnodiging voor volgend jaar wel vergeten. En dat is wat Avignon Avignon maakt, dat bijna gênante maar dan ook weer ontroerende dingen naar de gunst van het publiek. Wie in Westouter speelt, doet dat allicht ook liever voor een volle zaal maar het zal hem, haar of hen in feite worst wezen of de keet draait of niet. Ik weet wel dat er een artistiek eergevoel is dat sterk meespeelt, maar dat bijna noodgedwongen engagement is er niet. Misschien moeten jullie wel, zoals Avignon, een piepklein officieel "Spots op West" programmeren en een groots "Spots Off West" in het leven roepen. Just for the fun!
Ik wens jullie alvast een boeiend toneelseizoen toe,
Wim
Waarom schrijf ik je dit allemaal, Frank? Om "Spots op West" belachelijk te maken? Belange niet. Want, als het een troost mag wezen: we hebben fantastisch prachtige dingen gezien in Avignon maar ook héél erg zwakke voorstellingen, van dat Frans geleuter, intellectuele worstendraaierij, tètètè en blablabla maar waar gaat het over? Ken je 't? En dan zijn we nog niet eens naar één van die honderd voorstellingen gaan kijken die de Franse evenknie van "Tante Jutta uit Calcutta" zijn, Franse flutcomedies van treize in een douzaine. Wat dat betreft heb ik de indruk dat je je op "Spots op West" veel minder kan mispakken aan een voorstelling. Jullie kwaliteit ligt, voor zover ik dat kan inschatten, vrij hoog. Maar wat ik wél mis bij jullie is het festivalgevoel en het engagement van de groepen. Je kan in het tweede weekend van juli door Westouter rijden en, als je niet écht goed kijkt, niet weten dat er een festival aan de gang is. En dan is er dat engagement van de groepen. In Avignon word je om de meter van zodra je binnen de stadsmuren bent, aangeklampt door flyeraars, straatkunstenaars en hele gezelschappen die een soort "trailers" voor hun voorstelling spelen om je toch maar in hun zaal te krijgen. De reden daartoe is simpel: elk gezelschap in heel West-Europa wil dolgraag op Avignon staan, dit jaar en liefst opnieuw volgend jaar. Maar wie voor een lege zaal speelt, mag een uitnodiging voor volgend jaar wel vergeten. En dat is wat Avignon Avignon maakt, dat bijna gênante maar dan ook weer ontroerende dingen naar de gunst van het publiek. Wie in Westouter speelt, doet dat allicht ook liever voor een volle zaal maar het zal hem, haar of hen in feite worst wezen of de keet draait of niet. Ik weet wel dat er een artistiek eergevoel is dat sterk meespeelt, maar dat bijna noodgedwongen engagement is er niet. Misschien moeten jullie wel, zoals Avignon, een piepklein officieel "Spots op West" programmeren en een groots "Spots Off West" in het leven roepen. Just for the fun!
Ik wens jullie alvast een boeiend toneelseizoen toe,
Wim
zondag 24 juni 2012
Een Poperingse Calimero
Beste Henri Permeke,Morgen zal het precies 100 jaar geleden zijn dat je zoon Constant trouwde met Maria Delaere. Je vond het maar niets, dat huwelijk. Marietje was maar een kantwerkster en waarschijnlijk ook een model want Constant leerde ze kennen in Latem. Maar het meest verderfelijke vond je er misschien wel aan dat Marietje eigenlijk van... Poperinge was!
Poperinge, waar jij geboren werd en waar je nu, 100 jaar na je dood, een zomer lang terug thuis komt op de tentoonstelling "Permeke tot Permeke". Ik heb je de voorbije jaren, in de aanloop naar die tentoonstelling, een beetje beter leren kennen. Of ik je zou durven tutoyeren, daar aarzel ik over. Want bescheiden ben je niet echt. Heeft dat met die zware Westhoekklei te maken? Dat je er eindelijk uit geraakte en dat je je daardoor een beetje verheven boven de rest voelde? "Trek me uit de Vlaamse klein", zong Raymond. Zo moet je je ook gevoeld hebben. Die hunker naar meer, verder, hoger, die moet je onrustig gemaakt hebben in je jeugd. Ik stel me je voor als een dromerig jongetje, turend over de reling van de Vleterbeek en dromend van de wijde oceaan. Want met water heb je je hele leven iets gehad. Het bracht je uiteindelijk in Oostende waar je een heer van stand zou worden in de kunstwereld. Maar eerst waren er je studies. Je wilde leren schilderen aan de prestigieuze academie van Brussel. De spoorweg lag er al, dat was het probleem niet. De centen wel en je riep de hulp van de stad Poperinge in. Als die niet meteen gul toehapte, speelde je een lepe truc, die nog altijd werkt! Zeg gewoon even tussen neus en lippen: "Je moest eens weten hoe ze dat in Ieper doen, Christof!" Paf, je hebt de burgemeester van Poperinge zò op zijn paard, of liever op zijn gulden draak die prijkt op de toren van zijn gerenoveerde stadhuis. Jij, speelde 't ook zo: "Ha, in Yperen, ja, dààr steunen ze tenminste hun jonge kunstenaars!" Een klein, leep mannetje was je. Een beetje nijdig ook denk ik. "Een nete" noemen ze dat in sommige delen van West-Vlaanderen.
In "Permeke tot Permeke" wordt je leven opengelegd aan een lange inhoudstafel, een échte tafel met inhoud, op de benedenverdieping van het stadhuis. Je biografie leest een beetje als die van Calimero. Je wou alles wel, je wou het allemaal zo graag, maar het lukte nooit helemaal. Je kon dat wel feilloos verdoezelen door dan toch telkens weer op de right place at the right time te zijn. Je was toch maar bij dat kleine kransje van fotografiepioniers, maar je zus was beter, je was lid van die succesvolle Poperingse toneelkring maar niet op de planken (wel als secretaris), je was medestichter van de kunstenaarsgroep l'Essor maar de interessantste figuren (Khnopff, Ensor, Rops) vormden een nieuwe club zonder jou. In Oostende wurmde je je in de kunstkringen als restaurateur en toen je conservator van het eerste Stedelijk Museum voor Schone Kunsten werd, kon je eindelijk oogsten. Eindelijk kon je iets betekenen voor Ensor en zijn talentvolle tijdgenoten. Eindelijk konden ze maar beter meneer Permeke zeggen tegen jou. Maar de vruchten van die oogst smaakten jou toch wat bitter in de mond, want aan de vooravond van je dood, voelde je al dat je zoon de naam Permeke groot zou maken, met een zwierige voornaam ervoor en dat zou niet Henri zijn...
Zie je, ik heb toch een beetje met je te doen, meneer Permeke. Manneke van Poperinge en daar precies nooit echt mee kunnen omgaan. Ach, je wil ze geen eten geven, al die Westhoekers die je vandaag tegenkomt in Gentse, Brusselse en Antwerpse kringen, die hun slechte tongval dan nog larderen met nog wat lelijker Brabants erdoor om toch maar niet te moeten toegeven dat ze van... Owee als je oppert: "Maar zeg, ken ik jou niet van...", als de gesmeerde bliksem hebben ze iemand anders gezien die ze al zo lang wilden spreken, en weg zijn ze, de kop toch nog lichtjes tussen de schouders. Soms droom ik een witte eierschaal op hun hoofd.
Dag meneer Permeke, ik kom je nog wel eens opzoeken van de zomer,
Wim
woensdag 20 juni 2012
Boomverhalen
Beste Eik,
Het is ondertussen al woensdag en nog geen brief "op het einde van de week". Er zijn geen zekerheden meer, niet waar, Thomas...
Ik schrijf je omdat ik nog iets kleins wil vertellen over dat nieuwe In Flanders Fields Museum. Eén van de meest opmerkelijke objecten is precies géén oorlogstuig, zelfs niet iets van de vele parafernalia van soldaten of getuigen uit de Eerste Wereldoorlog. Neen, het is een schijf uit een boomstam, van een collega van jou, een zomereik, uit het kasteelpark van Elverdinge. Hij stierf een natuurlijke dood in 1994 maar bij het verzagen, trof men zwartgeblakerde sporen van kogel- of granaatinslagen van de Groote Oorlog. Zo stil had ik het landschap nog nooit zien getuigen van de wereldbrand, zo mooi had ik de veerkracht van de Westhoek, de wil om hier opnieuw te willen leven, nog nooit gesymboliseerd gezien dan in die boomschijf.
Sindsdien kan ik mijn ogen niet meer weghalen van boomstammen. Ik reed maandag naar Proven en zag langs de weg talloze bomen met een duidelijke wonde van auto's die er tegenop knalden. Aan één hing nog een bosje plastic bloemen maar ook andere vertelden het trieste verhaal van tientallen automobilisten en passagiers die er de dood vonden of levenslang verminkt raakten door de klap. "Stomme boom" hoor je dan wel eens zeggen. Alsof het jullie schuld is.
En zo zijn er vele bomen die een verhaal vertellen. De eik aan de voet van de Kemmelberg die door een bom door midden werd gereten, maar toch als een tweeling voort groeide, is een icoon geworden. De Elfnovembergroep, de groepering die achter het volksspel "Nooit brengt een oorlog vrede" zat, koos de eik als symbool. Aan de andere kant van de Kemmelberg vertelt een veel jongere boom, alweer een eik, het verhaal van Jacques Covemaeker die er in 1983 met de tractor op een onontplofte schrapnelbom reed en er het leven liet.
En jijzelf, beste eik, die mij in de herfst wel eens uit mijn slaap houdt omdat de eikels de hele nacht door over het dak ratelen, jij hebt ook een verhaal. Toen Vake in 1951 zijn eerste en enige huis in de Westhoek bouwde, waarmee hij voor goed vrede nam met het gemis van de zee, plantte hij die eik bij een kapelletje. Daarin een kopie van de madonna van Michelangelo in de OLV-kerk in Brugge. Een eerbetoon aan de maagd of misschien vooral aan zijn jonge vrouw, Bruggelinge én Maria, al noemde hij ze Mietje. Als we cowboy en indiaan speelden, was het aan jou dat we werden vastgebonden. En ik weet nog hoe kwaad mijn vader was toen broer Frank twee nagels in jouw stam had gedreven om er een touw aan vast te maken. Dagen lang heb je gebloed. Zou die wonde nog terug te vinden zijn, midden jouw bast?
In datzelfde tuintje stond verschillende decennia een perzikboom. Die kwam mee met een schoonbroer uit Brussel. Tientallen jaren hebben we fantastische, witte perziken gegeten met Brusselse roots. Vorige zomer heeft hij het begeven onder de te zware last. Alsof hij nog een laatste gulle afscheidsgroet wilde brengen. Van de week nog aten we ingevroren perzikmoes van zijn oogst. Een paar stronken staan nu als kinderstoeltjes op ons terras. En in de tuin staat een perzikboom die groeide uit een loot van die Brusselse loot. Een Brusselaar van de tweede generatie dus. En zo gaat ook dat verhaal nooit helemaal verloren. Alleen, veel perziken zullen er van de zomer niet zijn. 't Wordt een rotjaar voor 't fruit, zegt iedereen. Hopelijk voor eikels ook. Dan hou je me wat minder uit mijn slaap.
Groei ze!
Je onderdaan,
Wim
Het is ondertussen al woensdag en nog geen brief "op het einde van de week". Er zijn geen zekerheden meer, niet waar, Thomas...
Ik schrijf je omdat ik nog iets kleins wil vertellen over dat nieuwe In Flanders Fields Museum. Eén van de meest opmerkelijke objecten is precies géén oorlogstuig, zelfs niet iets van de vele parafernalia van soldaten of getuigen uit de Eerste Wereldoorlog. Neen, het is een schijf uit een boomstam, van een collega van jou, een zomereik, uit het kasteelpark van Elverdinge. Hij stierf een natuurlijke dood in 1994 maar bij het verzagen, trof men zwartgeblakerde sporen van kogel- of granaatinslagen van de Groote Oorlog. Zo stil had ik het landschap nog nooit zien getuigen van de wereldbrand, zo mooi had ik de veerkracht van de Westhoek, de wil om hier opnieuw te willen leven, nog nooit gesymboliseerd gezien dan in die boomschijf.
Sindsdien kan ik mijn ogen niet meer weghalen van boomstammen. Ik reed maandag naar Proven en zag langs de weg talloze bomen met een duidelijke wonde van auto's die er tegenop knalden. Aan één hing nog een bosje plastic bloemen maar ook andere vertelden het trieste verhaal van tientallen automobilisten en passagiers die er de dood vonden of levenslang verminkt raakten door de klap. "Stomme boom" hoor je dan wel eens zeggen. Alsof het jullie schuld is.
En zo zijn er vele bomen die een verhaal vertellen. De eik aan de voet van de Kemmelberg die door een bom door midden werd gereten, maar toch als een tweeling voort groeide, is een icoon geworden. De Elfnovembergroep, de groepering die achter het volksspel "Nooit brengt een oorlog vrede" zat, koos de eik als symbool. Aan de andere kant van de Kemmelberg vertelt een veel jongere boom, alweer een eik, het verhaal van Jacques Covemaeker die er in 1983 met de tractor op een onontplofte schrapnelbom reed en er het leven liet.
En jijzelf, beste eik, die mij in de herfst wel eens uit mijn slaap houdt omdat de eikels de hele nacht door over het dak ratelen, jij hebt ook een verhaal. Toen Vake in 1951 zijn eerste en enige huis in de Westhoek bouwde, waarmee hij voor goed vrede nam met het gemis van de zee, plantte hij die eik bij een kapelletje. Daarin een kopie van de madonna van Michelangelo in de OLV-kerk in Brugge. Een eerbetoon aan de maagd of misschien vooral aan zijn jonge vrouw, Bruggelinge én Maria, al noemde hij ze Mietje. Als we cowboy en indiaan speelden, was het aan jou dat we werden vastgebonden. En ik weet nog hoe kwaad mijn vader was toen broer Frank twee nagels in jouw stam had gedreven om er een touw aan vast te maken. Dagen lang heb je gebloed. Zou die wonde nog terug te vinden zijn, midden jouw bast?
In datzelfde tuintje stond verschillende decennia een perzikboom. Die kwam mee met een schoonbroer uit Brussel. Tientallen jaren hebben we fantastische, witte perziken gegeten met Brusselse roots. Vorige zomer heeft hij het begeven onder de te zware last. Alsof hij nog een laatste gulle afscheidsgroet wilde brengen. Van de week nog aten we ingevroren perzikmoes van zijn oogst. Een paar stronken staan nu als kinderstoeltjes op ons terras. En in de tuin staat een perzikboom die groeide uit een loot van die Brusselse loot. Een Brusselaar van de tweede generatie dus. En zo gaat ook dat verhaal nooit helemaal verloren. Alleen, veel perziken zullen er van de zomer niet zijn. 't Wordt een rotjaar voor 't fruit, zegt iedereen. Hopelijk voor eikels ook. Dan hou je me wat minder uit mijn slaap.
Groei ze!
Je onderdaan,
Wim
maandag 11 juni 2012
IFF 2.0.
Beste Piet,
We zijn zondag, in een vliegende vlucht, zoals zoveel mensen in de late zomer van 1914, door je nieuwe museum gelopen. Het ging allemaal te snel om er een grondig oordeel over te vormen, maar wat opviel was al meteen adembenemend: verbluffende vormgeving (Janpieter is een meester!), beklemmende soundscape en je ziet plots weer dat het museum in die prachtige lakenhallen staat. Ik heb haast niets gelezen en maar twee filmpjes bekeken, maar ik kan alleen maar zeggen dat ik verlang om terug te keren met veel meer tijd.
Je zag er gelukkig uit, broertje! En nu ik je schrijf, moet ik weer denken aan dat jaar, 1995, waarin we er een intense correspondentie op na hielden. We waren buren en onze brieven behoefden geen postzegels. Email bestond nog niet. We zeulden nog met floppy discs door onze tuin. Het resultaat van al dat schrijven werd "De Troost van Schoonheid", een boek over de dichters van de Eerste Wereldoorlog in de Ypres Salient. Het was toen nog vernieuwend om over een ander gedicht dan "In Flanders Fields" te praten. Het was even wennen toen het nieuwe museum in Ieper uitgerekend, juist ja... We schreven toen al over dat museum dat er ooit eens moest gaan komen in Ieper. Jij schreef: 'Als er straks in Ieper een nieuw Vredesmuseum komt, dan zal er veel respect en deemoed nodig zijn.' Ik antwoordde: 'Als dat museum er komt, zal men daar moeten afstappen van het denken in termen van vriend en vijand.' Onwaarschijnlijk dat jij een jaar na het verschijnen van dat boek mocht gaan solliciteren in Ieper. De rest is geschiedenis: een bankier-met-tegenzin werd een bevlogen bezieler van een museum dat geconcipieerd was voor 100.000 bezoekers per jaar maar er telkens meer dan het dubbele over de vloer kreeg. En Ieper is niet alleen oorlogscommerce, maar vooral ook een overtuigde Vredesstad geworden die een vredesprijs uitreikt. Goed gedaan broertje!
Als de horden toeristen die worden verwacht, straks onze gewesten overspoelen, zoals de vreemde troepen destijds in de nazomer van '14, dan hoop ik dat ze jouw museum als instap voor een bezoek aan de Salient gebruiken. Want hoe verwonderlijk het ook lijkt, het blijft belangrijk om te herhalen dat de Groote Oorlog waanzin was en dat mensen dat elkaar hebben aangedaan. Dat het allemaal ontsproten is aan het brein van perfide strategen, die overigens wat graag wetenschappers onder de hand namen om hun moorddadige plannetjes efficiënt te laten verlopen, maar dat het dom kanonnenvlees was dat de klus mocht klaren en dat de klos werd. Zelfs bijna veertig jaar na het volksspel "Nooit brengt een oorlog vrede", mag je dat nog niet overal zo scherp stellen. In jullie museum doe je dat wel. Je deed het al in '98 en jullie zijn er niet voor afgestraft, integendeel. IFF 2.0. is zo mogelijk nog explicieter in zijn pacifisme. Of die indruk had ik toch. Boontje wilde zijn lezers een geweten schoppen. Met een bestseller als IFFm sjot je een hele generatie de goeie kant op, al is 't maar voor de duur dat ze hier in de Westhoek vertoeven.
Haal nu maar wat slaap in, Piet, en ik kijk uit naar een privégidsbeurt met jou in I.F.F. 2.O.
Liefs,
Wim
We zijn zondag, in een vliegende vlucht, zoals zoveel mensen in de late zomer van 1914, door je nieuwe museum gelopen. Het ging allemaal te snel om er een grondig oordeel over te vormen, maar wat opviel was al meteen adembenemend: verbluffende vormgeving (Janpieter is een meester!), beklemmende soundscape en je ziet plots weer dat het museum in die prachtige lakenhallen staat. Ik heb haast niets gelezen en maar twee filmpjes bekeken, maar ik kan alleen maar zeggen dat ik verlang om terug te keren met veel meer tijd.
Je zag er gelukkig uit, broertje! En nu ik je schrijf, moet ik weer denken aan dat jaar, 1995, waarin we er een intense correspondentie op na hielden. We waren buren en onze brieven behoefden geen postzegels. Email bestond nog niet. We zeulden nog met floppy discs door onze tuin. Het resultaat van al dat schrijven werd "De Troost van Schoonheid", een boek over de dichters van de Eerste Wereldoorlog in de Ypres Salient. Het was toen nog vernieuwend om over een ander gedicht dan "In Flanders Fields" te praten. Het was even wennen toen het nieuwe museum in Ieper uitgerekend, juist ja... We schreven toen al over dat museum dat er ooit eens moest gaan komen in Ieper. Jij schreef: 'Als er straks in Ieper een nieuw Vredesmuseum komt, dan zal er veel respect en deemoed nodig zijn.' Ik antwoordde: 'Als dat museum er komt, zal men daar moeten afstappen van het denken in termen van vriend en vijand.' Onwaarschijnlijk dat jij een jaar na het verschijnen van dat boek mocht gaan solliciteren in Ieper. De rest is geschiedenis: een bankier-met-tegenzin werd een bevlogen bezieler van een museum dat geconcipieerd was voor 100.000 bezoekers per jaar maar er telkens meer dan het dubbele over de vloer kreeg. En Ieper is niet alleen oorlogscommerce, maar vooral ook een overtuigde Vredesstad geworden die een vredesprijs uitreikt. Goed gedaan broertje!
Als de horden toeristen die worden verwacht, straks onze gewesten overspoelen, zoals de vreemde troepen destijds in de nazomer van '14, dan hoop ik dat ze jouw museum als instap voor een bezoek aan de Salient gebruiken. Want hoe verwonderlijk het ook lijkt, het blijft belangrijk om te herhalen dat de Groote Oorlog waanzin was en dat mensen dat elkaar hebben aangedaan. Dat het allemaal ontsproten is aan het brein van perfide strategen, die overigens wat graag wetenschappers onder de hand namen om hun moorddadige plannetjes efficiënt te laten verlopen, maar dat het dom kanonnenvlees was dat de klus mocht klaren en dat de klos werd. Zelfs bijna veertig jaar na het volksspel "Nooit brengt een oorlog vrede", mag je dat nog niet overal zo scherp stellen. In jullie museum doe je dat wel. Je deed het al in '98 en jullie zijn er niet voor afgestraft, integendeel. IFF 2.0. is zo mogelijk nog explicieter in zijn pacifisme. Of die indruk had ik toch. Boontje wilde zijn lezers een geweten schoppen. Met een bestseller als IFFm sjot je een hele generatie de goeie kant op, al is 't maar voor de duur dat ze hier in de Westhoek vertoeven.
Haal nu maar wat slaap in, Piet, en ik kijk uit naar een privégidsbeurt met jou in I.F.F. 2.O.
Liefs,
Wim
maandag 4 juni 2012
GEFUSEERD
Beste Sandy,
De hele week is er gekibbeld en gepalaverd over de grootte en de leefbaarheid van Belgische gemeenten. Een heer van een clubje Vlaamse bedrijfsleiders (VOKA) zei dat gemeenten die minder dan twintigduizend inwoners hebben, niet levensvatbaar zijn. Ongetwijfeld zijn daar economische argumenten voor te vinden. Omzet, kritische massa, kostenbaten, dat soort vrolijke termen. De hele Belgische pers komt dan natuurlijk bij jou terecht, als burgemeester van het kleinste stadje van België, met net geen duizend inwoners. Jij lacht dan eens breedkaaks, wat dat betreft heb je je smoeltje wel mee (om het met Raymond te zeggen), maar je zegt misschien ook wel rake dingen over kleinschaligheid en de nabijheid van het beleid.
Ik ben opgegroeid in een relatief klein dorp dat in 1976 fuseerde met Poperinge. Dat blijkt nu dus één van de drie gemeenten in de hele Westhoek die, volgens mister Voka, levensvatbaar kan zijn. Met de hakken over de sloot hoor, want bij mijn weten zit Poperinge heel niptjes onder die twintigduizend inwoners. Op mijn zestiende werd ik dus plots, zonder te verhuizen, Poperingenaar. Nou ja, zo heet dat dan. En het viel me niet zwaar want ik had ondertussen ook al mijn Reningelsts liefje ingeruild voor een meisje van 't stad en door 't school en klap lopen in Poperinge, raakte ik ook wel een beetje vergroeid met de stad.
Toch blijf ik in de eerste plaats Reningelstnaar, of misschien wel van de Zevekote want die van de Ouderdom voelen zich toch ook weer wat anders dan die van de platse en die van de Busseboom, ja dat zijn ook andere en die van de Visserijmolen, oei, oei, dat zijn polderjongens, terwijl wij al tegen de bergen aan schurken...
Ik kom wel eens in Noord-Frankrijk, waar iedere negorij, een kerk en zeven huisjes eromheen, zijn eigen maire heeft. Die heeft zijn kantoortje in de Mairie waar hij ook nog een paar adjoints-au-maire heeft rondlopen. Ze hebben het allemaal vooral druk met hun boerderij, hun winkeltje of de boulot in de fabrique in de buurt van Lille. En toch zijn de wegen hier ook nog berijdbaar, heeft iedereen er elektriciteit en betalen ze allemaal belastingen. Veel hebben die burgemeestertjes niet te zeggen, allicht. Er zijn intercommunales die hen veel werk (en bevoegdheden) uit handen nemen. De mannetjes en vrouwtjes met hun bleu-blanc-rouge sjerp zijn bijna zo folkloristisch als de reus die elk van die negorijen ook heeft. Op beide zijn de bewoners even trots en er heerst nog een soort eigenwaarde in Oxelaere, Arneke of Crochte. "C'est à nous!" Bij ons moet die officiële eigenwaarde komen van bewonersplatforms die dikwijls moeite hebben om boven de klaagzooi uit te komen.
Ach, ik weet het niet. Provincies afschaffen maar dan weer gemeenten maken die lijken op kleine provincies. Blijven we zo niet bezig? Levensvatbaarheid is één ding, maar daar kan je aan verhelpen. Provincies maken bijvoorbeeld... Beleid voeren met een menselijk gelaat is een ander ding. En dat zal bij jou in Mesen wel gemakkelijker zijn dan bij Patrick in Antwerpen of Daniel In Gent. Hoewel, als je die twee alleen al vergelijkt, weet je 't wel.
Veel groeten van op de Zevekote, bij uitbreiding ook Reningelst-Poperinge-West-Vlaanderen-Vlaanderen-België-Europa en ochere, een onnozel planeetje van twee keer niks,
Wim
De hele week is er gekibbeld en gepalaverd over de grootte en de leefbaarheid van Belgische gemeenten. Een heer van een clubje Vlaamse bedrijfsleiders (VOKA) zei dat gemeenten die minder dan twintigduizend inwoners hebben, niet levensvatbaar zijn. Ongetwijfeld zijn daar economische argumenten voor te vinden. Omzet, kritische massa, kostenbaten, dat soort vrolijke termen. De hele Belgische pers komt dan natuurlijk bij jou terecht, als burgemeester van het kleinste stadje van België, met net geen duizend inwoners. Jij lacht dan eens breedkaaks, wat dat betreft heb je je smoeltje wel mee (om het met Raymond te zeggen), maar je zegt misschien ook wel rake dingen over kleinschaligheid en de nabijheid van het beleid.Ik ben opgegroeid in een relatief klein dorp dat in 1976 fuseerde met Poperinge. Dat blijkt nu dus één van de drie gemeenten in de hele Westhoek die, volgens mister Voka, levensvatbaar kan zijn. Met de hakken over de sloot hoor, want bij mijn weten zit Poperinge heel niptjes onder die twintigduizend inwoners. Op mijn zestiende werd ik dus plots, zonder te verhuizen, Poperingenaar. Nou ja, zo heet dat dan. En het viel me niet zwaar want ik had ondertussen ook al mijn Reningelsts liefje ingeruild voor een meisje van 't stad en door 't school en klap lopen in Poperinge, raakte ik ook wel een beetje vergroeid met de stad.
Toch blijf ik in de eerste plaats Reningelstnaar, of misschien wel van de Zevekote want die van de Ouderdom voelen zich toch ook weer wat anders dan die van de platse en die van de Busseboom, ja dat zijn ook andere en die van de Visserijmolen, oei, oei, dat zijn polderjongens, terwijl wij al tegen de bergen aan schurken...
Ik kom wel eens in Noord-Frankrijk, waar iedere negorij, een kerk en zeven huisjes eromheen, zijn eigen maire heeft. Die heeft zijn kantoortje in de Mairie waar hij ook nog een paar adjoints-au-maire heeft rondlopen. Ze hebben het allemaal vooral druk met hun boerderij, hun winkeltje of de boulot in de fabrique in de buurt van Lille. En toch zijn de wegen hier ook nog berijdbaar, heeft iedereen er elektriciteit en betalen ze allemaal belastingen. Veel hebben die burgemeestertjes niet te zeggen, allicht. Er zijn intercommunales die hen veel werk (en bevoegdheden) uit handen nemen. De mannetjes en vrouwtjes met hun bleu-blanc-rouge sjerp zijn bijna zo folkloristisch als de reus die elk van die negorijen ook heeft. Op beide zijn de bewoners even trots en er heerst nog een soort eigenwaarde in Oxelaere, Arneke of Crochte. "C'est à nous!" Bij ons moet die officiële eigenwaarde komen van bewonersplatforms die dikwijls moeite hebben om boven de klaagzooi uit te komen.
Ach, ik weet het niet. Provincies afschaffen maar dan weer gemeenten maken die lijken op kleine provincies. Blijven we zo niet bezig? Levensvatbaarheid is één ding, maar daar kan je aan verhelpen. Provincies maken bijvoorbeeld... Beleid voeren met een menselijk gelaat is een ander ding. En dat zal bij jou in Mesen wel gemakkelijker zijn dan bij Patrick in Antwerpen of Daniel In Gent. Hoewel, als je die twee alleen al vergelijkt, weet je 't wel.
Veel groeten van op de Zevekote, bij uitbreiding ook Reningelst-Poperinge-West-Vlaanderen-Vlaanderen-België-Europa en ochere, een onnozel planeetje van twee keer niks,
Wim
Labels:
fusies,
Poperinge,
Reningelst,
Sandy Evrard,
VOKA,
Westhoek,
Wim Chielens
zondag 27 mei 2012
Waar kinderdromen gisten
Beste Brouwer Six,Je brouwerij, waar jij in 1963 de brouwboeken dichtsloeg, kwam de voorbije weken mooi in het nieuws. En ikzelf ook. Dus dacht ik, na enige aarzeling: niet flauw doen, laat ik maar eens over en voor eigen winkel praten.
Toen jij het brouwen voor bekeken hield, werd het hele complex van de mouterij en de brouwerij St.-Joris in Reningelst één grote opslag voor alles waar jij mee begaan was: de wielerclub, de brandweer, de tientallen cafés die je in je bezit had en natuurlijk ook je duiven. Vooral die gevederde vrienden lieten niet zo'n aardige sporen achter, tussen het prachtige brouwmateriaal dat stilaan onherkenbaar verkommerde. Keer op keer toen we doorheen de ruïnes dwaalden, veertig jaar later, ontdekten we weer nieuwe koperen kuipen en prachtige ingenieuze instrumenten. Je zou haast weer zin hebben gekregen om er opnieuw te brouwen. Maar dat kon niet meer want je had, met een goedgelovig hart, enkele essentiële elementen, zoals de roerkuip, doorverkocht aan mooipraters die uiteindelijk nooit een druppel most of vlok gist in de buurt van de tuigen zouden laten komen.
Enfin, het noopte ons tot andere toekomstplannen met jouw gebouwen en die hebben we gevonden. Jij had zelf "'kind noch kraai", zoals dat hier heet, maar toch worden kinderen een beetje koning in jouw brouwerij. Ze krijgt zelfs de naam "Kinderbrouwerij". We gaan er voorstellingen maken voor gezinnen met kinderen: muziek, dans, theater, film, tentoonstellingen. De hele site moet een thuis worden voor kinderen en hun ouders, grootouders, ooms en tantes. Ik wed dat volwassen mensen er heel even weer het kind in zich zullen laten boven komen.
En als de homo sapiens ook altijd een beetje een homo ludens is, dan zal die spelende mens zijn hart kunnen ophalen in onze gezinskroeg, waar je samen met iets lekkers in je glas ook een rijk menu aan spelletjes krijgt geserveerd. Heel wat van die spelletjes kregen een eigen Westhoekthema mee. Na de streekgastronomie is er nu ook een streekspelonomie.
Over 32 dagen moet onze Kinderbrouwerij open gaan. De zenuwachtigheid om die deadline houdt me vele uren wakker maar op een zonnige dag als deze, droom ik van een brouwerijkoer vol spelende kinderen, banken en stoelen met monkelende dames en heren die na de eerste schroom te hebben overwonnen, zich onomwonden hebben overgegeven aan de spelletjesdrift en een kransje dorpelingen dat tevreden meesmuilt en denkt: Jef den brouwer, die draait zich nu niet van wrok in zijn graf, nee, die maakt nu een klein vreugedansje in zijn pompeuze grafkelder.
Wim
www.kinderbrouwerij.com
zaterdag 12 mei 2012
Moederdag
Liefste Moeke,
Het moet van de zomer van 1983 geleden zijn dat ik je nog een brief schreef. Dat deden we van op huwelijksreis in Spanje. Om jou en Vake te bedanken voor het mooie trouwfeest en voor alles dat ons had gebracht tot die dag en die beslissing om mekaar die belofte te doen. Het zal straks 15 jaar geleden zijn dat we jou voor 't laatst kwamen opzoeken voor Moederdag, maar die sterke moeder, die leidersrol die je wel moest opnemen bij ontstentenis van een vader die thuis was, die rol had je al veel vroeger moeten lossen.
Morgen is 't weer moederdag en ik zal ongetwijfeld wel eens aan je denken. Zeker sinds ik bij ons laatste verblijf aan zee in jullie laatste woning, foto's vond van jou als jonge moeder, als bruidje, als verliefde bakvis, als tiener zelfs. Wat was je mollig hè?
Moederdag mag dan door mensen die als bewuste, consuminderende burgers (met altijd dat vleugje cynisme) in het leven staan, worden afgedaan als een commerciële boel en zo vegen ze het dus op één hoopje met Valentijn en Halloween. Die laatste twee mag je zo van de kalender halen maar één dagje die vrouwen die niet alleen de last van de zwangerschap en de pijn van de verlossing hebben moeten dragen, maar doorgaans ook het meest moeten opdraaien voor alle praktische en opvoedkundige poespas, om maar van het troosten van de kleine en grote verdrietjes te zwijgen, één dagje voor hen is echt niet overbodig. Niet dat vrouwen die zich niet tot het moederschap geroepen voelen, geen bewonderenswaardig leven kunnen leiden, maar als ze wel moeder zijn, doe ik er toch ongelooflijk mijn hoed voor af. Ik ben een vader, niet eens zo'n onverschillige denk ik, maar ik weet hoe onevenwichtig het doorgaans verdeeld is. En daar hebben zelfs nieuwe mannen niet altijd greep op. Een moederhart zit nu eenmaal anders in elkaar.
Wat moeten er veel gebroken zijn, toen, als je hun zonen telt op de dodenakkers van de Westhoek rijdt. Hoe zong Willem het: "Altijd iemands vader, altijd iemands kind." Je zal het maar meemaken dat dat wezentje dat jij met je eigen kracht uit je schoot hebt gebaard, dat wicht dat je voor 99% met jouw bloed en jouw lichaam hebt gekweekt (van dat herenkwakje zal het toch niet komen zeker), dat ze je eigen vrucht in een uniform stoppen en opdracht geven om andere kinderen geboren uit andere moederschoten te gaan afschieten. En als je je eigen kind dan niet meer ziet thuis komen, als die dooie vrucht dan voor eeuwig achterblijft in een ver en vreemd stuk grond, dan kan ik me niet inbeelden dat je daarbij denkt: "If I should die, think only this of me: that there's a corner in a foreign field that is forever England." Laat die onzin maar over aan naïeve, mannelijke dichters die nog niet wisten wat hen te wachten stond. Die nog niet beseften dat ze straks, in dat vreemde land nog zouden huilen om hun... mama.
Dag Moeke, 't was fijn om nog eens met je te praten. De kinders stellen 't goed. Ze komen morgen wel langs, voor moederdag.
je Wim
Het moet van de zomer van 1983 geleden zijn dat ik je nog een brief schreef. Dat deden we van op huwelijksreis in Spanje. Om jou en Vake te bedanken voor het mooie trouwfeest en voor alles dat ons had gebracht tot die dag en die beslissing om mekaar die belofte te doen. Het zal straks 15 jaar geleden zijn dat we jou voor 't laatst kwamen opzoeken voor Moederdag, maar die sterke moeder, die leidersrol die je wel moest opnemen bij ontstentenis van een vader die thuis was, die rol had je al veel vroeger moeten lossen.
Morgen is 't weer moederdag en ik zal ongetwijfeld wel eens aan je denken. Zeker sinds ik bij ons laatste verblijf aan zee in jullie laatste woning, foto's vond van jou als jonge moeder, als bruidje, als verliefde bakvis, als tiener zelfs. Wat was je mollig hè?
Moederdag mag dan door mensen die als bewuste, consuminderende burgers (met altijd dat vleugje cynisme) in het leven staan, worden afgedaan als een commerciële boel en zo vegen ze het dus op één hoopje met Valentijn en Halloween. Die laatste twee mag je zo van de kalender halen maar één dagje die vrouwen die niet alleen de last van de zwangerschap en de pijn van de verlossing hebben moeten dragen, maar doorgaans ook het meest moeten opdraaien voor alle praktische en opvoedkundige poespas, om maar van het troosten van de kleine en grote verdrietjes te zwijgen, één dagje voor hen is echt niet overbodig. Niet dat vrouwen die zich niet tot het moederschap geroepen voelen, geen bewonderenswaardig leven kunnen leiden, maar als ze wel moeder zijn, doe ik er toch ongelooflijk mijn hoed voor af. Ik ben een vader, niet eens zo'n onverschillige denk ik, maar ik weet hoe onevenwichtig het doorgaans verdeeld is. En daar hebben zelfs nieuwe mannen niet altijd greep op. Een moederhart zit nu eenmaal anders in elkaar.
Wat moeten er veel gebroken zijn, toen, als je hun zonen telt op de dodenakkers van de Westhoek rijdt. Hoe zong Willem het: "Altijd iemands vader, altijd iemands kind." Je zal het maar meemaken dat dat wezentje dat jij met je eigen kracht uit je schoot hebt gebaard, dat wicht dat je voor 99% met jouw bloed en jouw lichaam hebt gekweekt (van dat herenkwakje zal het toch niet komen zeker), dat ze je eigen vrucht in een uniform stoppen en opdracht geven om andere kinderen geboren uit andere moederschoten te gaan afschieten. En als je je eigen kind dan niet meer ziet thuis komen, als die dooie vrucht dan voor eeuwig achterblijft in een ver en vreemd stuk grond, dan kan ik me niet inbeelden dat je daarbij denkt: "If I should die, think only this of me: that there's a corner in a foreign field that is forever England." Laat die onzin maar over aan naïeve, mannelijke dichters die nog niet wisten wat hen te wachten stond. Die nog niet beseften dat ze straks, in dat vreemde land nog zouden huilen om hun... mama.
Dag Moeke, 't was fijn om nog eens met je te praten. De kinders stellen 't goed. Ze komen morgen wel langs, voor moederdag.
je Wim
vrijdag 4 mei 2012
Ave
Liefste Onzevrouwke,
Het is jouw maand, ook al wordt die ingezet door de goddelozen met hun rode vlaggen. Niet helemaal onlogisch want die zoon van je was ook een socialist. Het zat je niet mee met die jongen. Krijg dat als moeder maar eens in de wieg geworpen. En aan die onbevlekte conceptie ervan heb je ook al niet veel plezier beleefd, vermoed ik. Met die vader heb ik het toch wat lastig. Als hij de mens naar zijn evenbeeld heeft geschapen, dan had hij't beter zo gelaten. Wie schept nu iets waar genen in zitten die Hitlers, Stalins en Breivikken kan voortbrengen?
Maar met jou heb ik wel iets. 't Is te zeggen, ik heb met je te doen. Je leven wordt wel eens in "zeven smarten" samengevat en ik durf geloven dat in jouw biografie meer smart dan luim te vinden was. Is het daarom dat precies jij de grote troostbrenger in troosteloze dagen was en bent? Ik reed van de week nog door Klerken waar ze na de Eerste Wereldoorlog een Lourdesgrot met jouw beeltenis bouwden boven op een Duitse bunker. Je vertrapt er als het ware, met blote voeten, de oorlogswaanzin die de hele omgeving naar de verdommenis hielp. Ik was niet zo lang geleden in Lourdes, het echte Lourdes. Wat een menselijke ellende vind je daar samen, bijgod! Je kan het intriest noemen, volksverlakkerij. Maar vreemd genoeg vond ik er alleen maar blije mensen, hoopvolle mensen, of mensen die hun lot aanvaardden. Enfin, mensen die troost hadden gevonden. Dat is pas miraculeus...
Ons ouderlijk huis stond afgeladen vol beeltenissen van jou. Moeke koesterde ze allemaal. Wij hebben er zowaar ook vier. Of nee vijf, want er zit nog een Michelangeloreplica in de tuinmuur. Op zondagmorgen kon ons vader de trap afkomen terwijl hij uit volle borst "Liefde gaf u duizend namen" zong. En op zaterdagavond moesten wij naar het kapelletje op de Zevekote om de paternoster af te dreunen. Hoe saai kan je 't bedenken, maar wat een aparte sfeer van verbondenheid voelden we toen. Ze zijn haast allemaal dood, de dibben en trutten (zo noemden we ze) die rondom ons stonden in dat kapelletje.
Zie je, onzevrouwke, het komt toch altijd weer bij dat fundamentele gevoel van melancholie, die komt, des avonds, voor het slapen gaan... Hier in de Westhoek word ik letterlijk nog op elke hoek van de straat herinnerd aan dat vrouwke dat zo aanwezig was in mijn jeugd. Nostalgie, het schijnt not done in deze twittertijden. Maar ik val er nu eenmaal aan ten prooi. En helemaal als 't zo'n strontweer is in de meimaand. Vroeger, ha, vroeger was 't altijd mooi weer... Troosteloos weer is 't nu en dan geeft het gemijmer aan hoe jij steeds weer opduikt in mooie herinneringen mij, jawel, troost.
Geniet van je maand,
Wim
Het is jouw maand, ook al wordt die ingezet door de goddelozen met hun rode vlaggen. Niet helemaal onlogisch want die zoon van je was ook een socialist. Het zat je niet mee met die jongen. Krijg dat als moeder maar eens in de wieg geworpen. En aan die onbevlekte conceptie ervan heb je ook al niet veel plezier beleefd, vermoed ik. Met die vader heb ik het toch wat lastig. Als hij de mens naar zijn evenbeeld heeft geschapen, dan had hij't beter zo gelaten. Wie schept nu iets waar genen in zitten die Hitlers, Stalins en Breivikken kan voortbrengen?
Maar met jou heb ik wel iets. 't Is te zeggen, ik heb met je te doen. Je leven wordt wel eens in "zeven smarten" samengevat en ik durf geloven dat in jouw biografie meer smart dan luim te vinden was. Is het daarom dat precies jij de grote troostbrenger in troosteloze dagen was en bent? Ik reed van de week nog door Klerken waar ze na de Eerste Wereldoorlog een Lourdesgrot met jouw beeltenis bouwden boven op een Duitse bunker. Je vertrapt er als het ware, met blote voeten, de oorlogswaanzin die de hele omgeving naar de verdommenis hielp. Ik was niet zo lang geleden in Lourdes, het echte Lourdes. Wat een menselijke ellende vind je daar samen, bijgod! Je kan het intriest noemen, volksverlakkerij. Maar vreemd genoeg vond ik er alleen maar blije mensen, hoopvolle mensen, of mensen die hun lot aanvaardden. Enfin, mensen die troost hadden gevonden. Dat is pas miraculeus...
Ons ouderlijk huis stond afgeladen vol beeltenissen van jou. Moeke koesterde ze allemaal. Wij hebben er zowaar ook vier. Of nee vijf, want er zit nog een Michelangeloreplica in de tuinmuur. Op zondagmorgen kon ons vader de trap afkomen terwijl hij uit volle borst "Liefde gaf u duizend namen" zong. En op zaterdagavond moesten wij naar het kapelletje op de Zevekote om de paternoster af te dreunen. Hoe saai kan je 't bedenken, maar wat een aparte sfeer van verbondenheid voelden we toen. Ze zijn haast allemaal dood, de dibben en trutten (zo noemden we ze) die rondom ons stonden in dat kapelletje.
Zie je, onzevrouwke, het komt toch altijd weer bij dat fundamentele gevoel van melancholie, die komt, des avonds, voor het slapen gaan... Hier in de Westhoek word ik letterlijk nog op elke hoek van de straat herinnerd aan dat vrouwke dat zo aanwezig was in mijn jeugd. Nostalgie, het schijnt not done in deze twittertijden. Maar ik val er nu eenmaal aan ten prooi. En helemaal als 't zo'n strontweer is in de meimaand. Vroeger, ha, vroeger was 't altijd mooi weer... Troosteloos weer is 't nu en dan geeft het gemijmer aan hoe jij steeds weer opduikt in mooie herinneringen mij, jawel, troost.
Geniet van je maand,
Wim
zaterdag 28 april 2012
Een kleine AB
Beste meisje met de zware bril,
Ik ken je niet, maar ik schat dat je zestien of wat bent. Ik zag je tussen honderden leeftijdsgenoten, gisterenavond. Die ouwe kale man die niet veel verder kwam dan de entree, dat was ik. Rondom mij zelfs mannen in pak, met stropdas. Politici. Fiere mannen. En hun vrouwelijke collega's, in vrolijke jurkjes straalden ook. Eentje glom zelfs, terecht. Maar jij en je leeftijdsgenoten keken misschien wat vreemd op van die ouwe of stijve kerels, maar jullie glunderden ook wel.
Het tafereeltje speelde zich af bij de opening van het gloednieuwe Jeugdcentrum in hartje Poperinge. Na een jaar in de diaspora kan de Poperingse jeugd eindelijk weer fuiven op een steenworp van de Grote Markt, op de rand van het stadspark. En het mag gezegd, het is een schitterend complex. Niet dat ik nog een vaak gesignaleerd fuifbeest ben maar ik ken toch de trieste aanblik van betonnen platenkoten, veredelde hangars en andere treurige krochten die ze dan maar "fuifzaal" noemen. 't Is voor de jeugd, 't zal dus toch naar de verdommenis worden geholpen, schijnt de redenering daarachter te zijn. Niet dus in Poperinge. "Een kleine AB" noemde die glimmende schepen het. Enfin, ze schreeuwde het terwijl Customs door de zaal scheurden. Elke vergelijking loopt mank, maar het minste wat je kan zeggen is dat de stad de jeugd hier au sérieux neemt.
En dat in de Westhoek, die elke dag, nee, zeg vooral elke julimaand, al een halve eeuw lang, weer moet vechten tegen de zogenaamde braindrain. Talentrijke, geëngageerde, intelligente jonge kerels en meiden die na studies in Kortrijk, Leuven of Gent de weg niet meer terugvinden naar de Westhoek. Ook die zag ik in grote getale rondlopen gisterenavond. Die flamboyante, knappe Poperingse twintigers die nu het leger van 50.000 Gentse West-Vlamingen versterken. Zelfs een fantastisch Jeugdcentrum zal daar niet aan verhelpen. Je moet al die jonge gasten met universitaire, artistieke of andere hogeschooldiploma's op zak ook een leven kunnen bieden. Brood op de plank! Liefst met gelei of Nutella. Ik zie ze met lede ogen vertrekken, die talentrijke muzikanten, toneelspelers en tekenaars uit de Kunstacademie, die tappers van het Jeugdhuis, enfin, mijn eigen kinderen zelfs. Zo'n Jeugdcentrum zal ze hopelijk nog wat vaker terug naar de huisstede lokken maar er zijn metrostellen vanuit Rijsel of HSTtreinen uit Gent nodig, liefst gratis, om ze hier ook op een blauwe maandagavond nog te houden.
Maar niet triest zijn, nu. Even genieten, nu. En waar ligt die Perdolan? Had jij die ook van doen, vanmorgen, meisje met de zware bril. Amuseer je vanavond. Ik kan daar niet meer tegen, twee dagen na elkaar.
Wim
Ik ken je niet, maar ik schat dat je zestien of wat bent. Ik zag je tussen honderden leeftijdsgenoten, gisterenavond. Die ouwe kale man die niet veel verder kwam dan de entree, dat was ik. Rondom mij zelfs mannen in pak, met stropdas. Politici. Fiere mannen. En hun vrouwelijke collega's, in vrolijke jurkjes straalden ook. Eentje glom zelfs, terecht. Maar jij en je leeftijdsgenoten keken misschien wat vreemd op van die ouwe of stijve kerels, maar jullie glunderden ook wel.
Het tafereeltje speelde zich af bij de opening van het gloednieuwe Jeugdcentrum in hartje Poperinge. Na een jaar in de diaspora kan de Poperingse jeugd eindelijk weer fuiven op een steenworp van de Grote Markt, op de rand van het stadspark. En het mag gezegd, het is een schitterend complex. Niet dat ik nog een vaak gesignaleerd fuifbeest ben maar ik ken toch de trieste aanblik van betonnen platenkoten, veredelde hangars en andere treurige krochten die ze dan maar "fuifzaal" noemen. 't Is voor de jeugd, 't zal dus toch naar de verdommenis worden geholpen, schijnt de redenering daarachter te zijn. Niet dus in Poperinge. "Een kleine AB" noemde die glimmende schepen het. Enfin, ze schreeuwde het terwijl Customs door de zaal scheurden. Elke vergelijking loopt mank, maar het minste wat je kan zeggen is dat de stad de jeugd hier au sérieux neemt.En dat in de Westhoek, die elke dag, nee, zeg vooral elke julimaand, al een halve eeuw lang, weer moet vechten tegen de zogenaamde braindrain. Talentrijke, geëngageerde, intelligente jonge kerels en meiden die na studies in Kortrijk, Leuven of Gent de weg niet meer terugvinden naar de Westhoek. Ook die zag ik in grote getale rondlopen gisterenavond. Die flamboyante, knappe Poperingse twintigers die nu het leger van 50.000 Gentse West-Vlamingen versterken. Zelfs een fantastisch Jeugdcentrum zal daar niet aan verhelpen. Je moet al die jonge gasten met universitaire, artistieke of andere hogeschooldiploma's op zak ook een leven kunnen bieden. Brood op de plank! Liefst met gelei of Nutella. Ik zie ze met lede ogen vertrekken, die talentrijke muzikanten, toneelspelers en tekenaars uit de Kunstacademie, die tappers van het Jeugdhuis, enfin, mijn eigen kinderen zelfs. Zo'n Jeugdcentrum zal ze hopelijk nog wat vaker terug naar de huisstede lokken maar er zijn metrostellen vanuit Rijsel of HSTtreinen uit Gent nodig, liefst gratis, om ze hier ook op een blauwe maandagavond nog te houden.
Maar niet triest zijn, nu. Even genieten, nu. En waar ligt die Perdolan? Had jij die ook van doen, vanmorgen, meisje met de zware bril. Amuseer je vanavond. Ik kan daar niet meer tegen, twee dagen na elkaar.
Wim
Abonneren op:
Posts (Atom)



