dinsdag 11 september 2012

Zoektocht naar een vorig leven

Beste Bram,

Ik schrijf je een paar dagen later dan voorzien maar het is altijd zo druk hier, ja, ook hier in de Westhoek. Acht jaar al... Ik schrik me rot, acht jaar al sinds je daar in Italië het leven liet. "Het" leven zeg ik maar jij dacht eerder "dit" leven want je wist dat je er nog een paar te goed had, zoals je ook wist welk je voor dit leven had geleid.
Ik was erbij toen je voor 't allereerst "vreemde gewaarwordingen" had gekregen in de frontstreek, hier, rond Ieper. Ik werkte voor de radio en kwam een reportage maken over jou terwijl je bezig was met het draaien van de televisiedocumentaire "Duizend Bommen en Granaten". We hadden afgesproken bij het graf van John Condon in Poelkapelle en later die avond in Ieper. Toen vertelde je dat bizarre verhaal dat je, na ons gesprek, daar op die begraafplaats in Poelkapelle, in slaap was gevallen. Jij niet alleen maar de hele televisieploeg en dat jullie pas een uur of meer later opnieuw wakker werden en dachten dat er nauwelijks vijf minuten waren voorbij gegaan. De lage avondzon sprak dat tegen. Rare jongens, die Nederlanders, dacht ik toen. Het was 1990.
Zes jaar later. Broer Piet en ik hebben een brievenboek afgewerkt over de dichters die in de Ypres Salient streden en erover schreven. Het lijkt onwaarschijnlijk nu, maar zelfs de Britse War Poets waren toen nauwelijks bekend in Vlaanderen. Alleen het gedicht "In Flanders Fields" van John Mc Crae kende iedereen, van buiten. Ik had via de radio contact met je gehouden. Het waren jouw gloriedagen in Vlaanderen met twee fantastische CD's: "Vriend en Vijand" en "Achter mijn ogen". Ik draaide ze grijs in mijn programma's en je was vaak live te gast. Het leek me een aardig idee om jou te vragen om ons boek in te leiden, al was ik niet zeker of je nog wel in die Groote Oorlog geïnteresseerd was gebleven. Het is daar, die bloedhete avond in augustus van 1996, op de trappen van het kasteel van Zonnebeke, dat jij voor het eerst iets heel vreemd verkondigde. Het boek was mooi en interessant maar "ik hoef het niet te lezen", zei je, "mij hoef je die vreselijke dingen niet te vertellen, want ik was erbij..." Ik zag vreemde blikken in het publiek en de reacties op jouw rede waren eerder gekenmerkt door verwarring dan door herkenning, laat staan erkenning.
Je zoektocht naar dat vorige leven heeft je niet meer losgelaten en het beeld werd steeds scherper, de meewarige blikken en handgebaren ("zot!") steeds luider en heftiger. Je bleek een Waalse officier te zijn geweest in het Belgische leger. Ik wist eerlijk gezegd ook niet wat ik ermee moest maar je vertelde het met verve en je schreef er prachtige liederen over voor je album "Oorlog aan de oorlog".
Vlaanderen omarmde je, terwijl je in Nederland toch vaak de mindere, soms zelf mislukte helft van "Neerlands Hoop" zou blijven. En toch zal jouw liefde voor de Westhoek en de bezetenheid waarmee je schreef, filmde en zong over de Eerste Wereldoorlog, er niet helemaal vreemd aan zijn dat het leger Nederlanders dat tegenwoordig elk jaar naar Ieper komt, in 15 jaar tijd tig, zoals Nederlanders dat zeggen, tig keer groter is geworden. Heeft iemand je daar ooit voor bedankt, Bram? Of bleven ze je toch maar een rare Hollander vinden, met een veel te grote bek en een te luide lach? Die lach van je, Bram, ik kan hem zo weer oproepen. En hij zat nog in mijn oren van op het festival in Dranouter, toen dat onwaarschijnlijke bericht kwam. Uit Italië, 4 september 2004.
Maar weet je, met al jouw bizarre verhalen over reïncarnatie, heb ik soms ook gewoon het gevoel dat je er nog bent. Je bent erbij, Bram. Wanneer drinken we nog es wat en lachen we wat af?

Wim

donderdag 30 augustus 2012

DE TRADITIE VAN MONDGYMNASTIEK

Geachte Gerard Vermeersch,

"Avelgem, djudedju..." Dat zeggen mensen altijd als uw naam valt. Ik durf u niet te tutoyeren, daarvoor was u misschien te zeer van een andere generatie. Van 1923, dat is maar drie jaar jonger dan mijn vader maar u bent wel meer dan 25 jaar vroeger gestorven. Ik heb u één keer live meegemaakt, in de patronagezaal van Reningelst. Dat was toen nog een bescheiden cultuurtempeltje waar het plaatselijke Davidsfonds Heuvelland (jawel, Heuvelland...) kleine iconen van het Vlaamse theater en de kleinkunst naartoe haalde. Jan de Wilde, Miek & Roel, Hugo Raspoet, Theater Ivonne Lex, Het Reizend Volkstheater, noem ze, de coryfeeën van toen en ze hebben er gestaan, in die patronage. En dus ook u, meneer Vermeersch. U was éénoog in het land der blinden, als conférencier/cabaretier had u geen concurrentie in Vlaanderen en dus heetten uw collega's Toon Hermans of Wim Sonneveld. U had de mosterd ook daar gehaald. U vertelde nog een goed verhaal, u werkte nog aan de ontwikkeling van een sketch, met verrassende wendingen en een échte pointe. Dat is wat anders dan die stand-up comedians die menen al grappig te zijn bij het uitstoten van de naam van een politicus of een lid van de koninklijke familie. Of die hufterige oneliners aan elkaar rijgen zonder ook maar één moment de indruk te wekken dat ze een "programma" hebben. Ze trekken een blik grappen (bemerk de cursieve druk) open en als de klok te traag voorbij tikt, trekken ze een tweede blik open, met een iets meer belegen inhoud maar whatthefuck... Respect tonen voor je publiek hoort niet bij een stand-upper, toch? Maar pas op, het begint te dagen en de vakmannen snappen ondertussen dat het "wat meer mag zijn". Wim Helzen krijgt dan toch nog gezelschap in Vlaanderen.
Maar, ik schrijf u eigenlijk helemaal niet om, via u, de hedendaagse Vlaamse grappenmakers neer te sabelen, meneer Vermeersch. Ik schrijf u omdat straks op 1 september het schooljaar opnieuw begint, ook voor mij als directeur van de Kunstacademie. Ik ben daar, onder andere, directeur van de woordafdeling. Terwijl ik, als kind en tiener, nooit zelf naar de academie ben geweest! Wat een blasfemie, zal u zeggen. Wel nee, meneer Vermeersch, want u startte zelf een traditie in de colleges van Ieper en Poperinge waarbij er een belangrijke plaats op het uurrooster was weggelegd voor het vak "dictie". Die traditie werd ook na uw vertrek en later uw dood, in die colleges voortgezet. In die zin had ik deze brief ook kunnen openen met "Beste Roger en Jacques", ja kijk, die mensen durven ik dan toch, zij het met enige schroom, tutoyeren. Zij bezorgden mij hét lesuur om naar uit te kijken. Ze ramden de vette "e", "i" en "u" uit ons gehemelte, gaven ons tongbrekers als mondgymnastiek maar maakten ons vooral ook vertrouwd met lichtvoetige poëzie en flarden toneel, waar je volop spelplezier aan kon beleven. Ziet u, meneer Vermeersch (en Roger en Jacques), zo maakten jullie zo'n afdeling Woord aan een Muziekschool, quasi overbodig. En al helemaal voor jongetjes van "de buiten", zoals ik er een was. Dat is een pluim voor u en uw volgelingen maar het zegt natuurlijk ook veel over de tijdsgeest en het belang dat men toen nog hechtte aan de totale ontwikkeling van de mens. De homo moest niet alleen sapiens zijn, hij mocht ook ludens zijn, smaak hebben, engagement tonen, een geweten hebben en van  alle markten (een beetje) thuis zijn.
Sinds de economie het onderwijs dicteert en de grabbelcultuur hoogtij viert, is uw soort, meneer Vermeersch, quantité négligable geworden en kan alleen de afgebladderde verf aan de muren van de patronagezaaltjes overal ten lande nog vertellen over die tijd dat het volk nog naar 't theater geschopt werd. In zo'n tijden is de Kunstacademie waar straks een nieuw schooljaar begint, onontbeerlijk, haast levensnoodzakelijk geworden. Waar anders wordt "schoonheid" nog een beetje ernstig genomen?
Bedankt meneer Vermeersch en mocht het u van dienst zijn, de Kwaremont is weer dicht,
Wim

vrijdag 3 augustus 2012

SPOTS OFF WEST

Beste Frank en maten van Open Doek,

Ja, 't was een beetje een cultuurschok toen ik van bij jullie op Spots op West diezelfde zondag nog vertrok naar de Provence. De volgende middag liepen we door Avignon door een woud van affiches voor theatervoorstellingen, geplakt op karton en gebonden rond hekken, lantaarnpalen, brugrelingen, verkeersborden tot standbeelden en levende mensen toe. Ik kwam van een theaterfestival en ging naar volgend. Kleiner kon de overgang niet zijn? Nee, groter kan je je ze niet indenken. Jullie gingen er prat op dat je op vier dagen tijd meer dan 100 voorstellingen kon aanbieden. Weet je dat dat er een pak meer zijn dan op het festival van Avignon? 't Is te zeggen op het officiële festival. Dat festival waarvoor je, vermoed ik, achterpoortjes moet kennen om er kaartjes voor te bemachtigen. Wij slaagden er alvast niet in, ook niet op de eerste dag van de ticketverkoop... Maar het is niet dàt festival waarmee de bezoeker in Avignon wordt geconfronteerd. Wat zeg ik: geconfronteerd? Waarmee ze je om de oren slaan, dat je in je gezicht krijgt geslingerd. Nee, dat is het Off-festival. Het niet-officiële festival waar theatergezelschappen van over heel de wereld een plaatsje hebben bemachtigd in één van de meer dan honderd theaters, al of niet geïmproviseerd in een loods of gewoon in een binnentuin. Op Aviginon Off staan per dag soms meer dan DUIZEND voorstellingen geprogrammeerd. Echt waar. Op 11 juli: 1019 spectacles, op 19 juli 1035 en op 21 juli liefst 1038 spectacles. Er zijn ook zwakke dagen met maar 931 voorstellingen, op 23 juli... Ik wil maar zeggen, de proporties van dat festival van Aviginon, dat kan een mens zich niet voorstellen. Op die bewuste 21ste juli begint de eerste voorstelling dan ook al om 9u20 en om middernacht starten nog 3 zogenaamde spectacles... In 't Totaal werden zo'n 50.000 tickets verkocht.
Waarom schrijf ik je dit allemaal, Frank? Om "Spots op West" belachelijk te maken? Belange niet. Want, als het een troost mag wezen: we hebben fantastisch prachtige dingen gezien in Avignon maar ook héél erg zwakke voorstellingen, van dat Frans geleuter, intellectuele worstendraaierij, tètètè en blablabla maar waar gaat het over? Ken je 't? En dan zijn we nog niet eens naar één van die honderd voorstellingen gaan kijken die de Franse evenknie van "Tante Jutta uit Calcutta" zijn, Franse flutcomedies van treize in een douzaine.  Wat dat betreft heb ik de indruk dat je je op "Spots op West" veel minder kan mispakken aan een voorstelling. Jullie kwaliteit ligt, voor zover ik dat kan inschatten, vrij hoog. Maar wat ik wél mis bij jullie is het festivalgevoel en het engagement van de groepen. Je kan in het tweede weekend van juli door Westouter rijden en, als je niet écht goed kijkt, niet weten dat er een festival aan de gang is. En dan is er dat engagement van de groepen. In Avignon word je om de meter van zodra je binnen de stadsmuren bent, aangeklampt door flyeraars, straatkunstenaars en hele gezelschappen die een soort "trailers" voor hun voorstelling spelen om je toch maar in hun zaal te krijgen. De reden daartoe is simpel: elk gezelschap in heel West-Europa wil dolgraag op Avignon staan, dit jaar en liefst opnieuw volgend jaar. Maar wie voor een lege zaal speelt, mag een uitnodiging voor volgend jaar wel vergeten. En dat is wat Avignon Avignon maakt, dat bijna gênante maar dan ook weer ontroerende  dingen naar de gunst van het publiek. Wie in Westouter speelt, doet dat allicht ook liever voor een volle zaal maar het zal hem, haar of hen in feite worst wezen of de keet draait of niet. Ik weet wel dat er een artistiek eergevoel is dat sterk meespeelt, maar dat bijna noodgedwongen engagement is er niet. Misschien moeten jullie wel, zoals Avignon, een piepklein officieel "Spots op West" programmeren en een groots "Spots Off West" in het leven roepen. Just for the fun!
Ik wens jullie alvast een boeiend toneelseizoen toe,

Wim

zondag 24 juni 2012

Een Poperingse Calimero


Beste Henri Permeke,
Morgen zal het precies 100 jaar geleden zijn dat je zoon Constant trouwde met Maria Delaere. Je vond het maar niets, dat huwelijk. Marietje was maar een kantwerkster en waarschijnlijk ook een model want Constant leerde ze kennen in Latem. Maar het meest verderfelijke vond je er misschien wel aan dat Marietje eigenlijk van... Poperinge was!
Poperinge, waar jij geboren werd en waar je nu, 100 jaar na je dood, een zomer lang terug thuis komt op de tentoonstelling "Permeke tot Permeke". Ik heb je de voorbije jaren, in de aanloop naar die tentoonstelling, een beetje beter leren kennen. Of ik je zou durven tutoyeren, daar aarzel ik over. Want bescheiden ben je niet echt. Heeft dat met die zware Westhoekklei te maken? Dat je er eindelijk uit geraakte en dat je je daardoor een beetje verheven boven de rest voelde? "Trek me uit de Vlaamse klein", zong Raymond. Zo moet je je ook gevoeld hebben. Die hunker naar meer, verder, hoger, die moet je onrustig gemaakt hebben in je jeugd. Ik stel me je voor als een dromerig jongetje, turend over de reling van de Vleterbeek en dromend van de wijde oceaan. Want met water heb je je hele leven iets gehad. Het bracht je uiteindelijk in Oostende waar je een heer van stand zou worden in de kunstwereld. Maar eerst waren er je studies. Je wilde leren schilderen aan de prestigieuze academie van Brussel. De spoorweg lag er al, dat was het probleem niet. De centen wel en je riep de hulp van de stad Poperinge in. Als die niet meteen gul toehapte, speelde je een lepe truc, die nog altijd werkt! Zeg gewoon even tussen neus en lippen: "Je moest eens weten hoe ze dat in Ieper doen, Christof!" Paf, je hebt de burgemeester van Poperinge zò op zijn paard, of liever op zijn gulden draak die prijkt op de toren van zijn gerenoveerde stadhuis. Jij, speelde 't ook zo: "Ha, in Yperen, ja, dààr steunen ze tenminste hun jonge kunstenaars!" Een klein, leep mannetje was je. Een beetje nijdig ook denk ik. "Een nete" noemen ze dat in sommige delen van West-Vlaanderen.
In "Permeke tot Permeke" wordt je leven opengelegd aan een lange inhoudstafel, een échte tafel met inhoud, op de benedenverdieping van het stadhuis. Je biografie leest een beetje als die van Calimero. Je wou alles wel, je wou het allemaal zo graag, maar het lukte nooit helemaal. Je kon dat wel feilloos verdoezelen door dan toch telkens weer op de right place at the right time te zijn. Je was toch maar bij dat kleine kransje van fotografiepioniers, maar je zus was beter, je was lid van die succesvolle Poperingse toneelkring maar niet op de planken (wel als secretaris), je was medestichter van de kunstenaarsgroep l'Essor maar de interessantste figuren (Khnopff, Ensor, Rops) vormden een nieuwe club zonder jou. In Oostende wurmde je je in de kunstkringen als restaurateur en toen je conservator van het eerste Stedelijk Museum voor Schone Kunsten werd, kon je eindelijk oogsten. Eindelijk kon je iets betekenen voor Ensor en zijn talentvolle tijdgenoten. Eindelijk konden ze maar beter meneer Permeke zeggen tegen jou. Maar de vruchten van die oogst smaakten jou toch wat bitter in de mond, want aan de vooravond van je dood, voelde je al dat je zoon de naam Permeke groot zou maken, met een zwierige voornaam ervoor en dat zou niet Henri zijn...
Zie je, ik heb toch een beetje met je te doen, meneer Permeke. Manneke van Poperinge en daar precies nooit echt mee kunnen omgaan. Ach, je wil ze geen eten geven, al die Westhoekers die je vandaag tegenkomt in Gentse, Brusselse en Antwerpse kringen, die hun slechte tongval dan nog larderen met nog wat lelijker Brabants erdoor om toch maar niet te moeten toegeven dat ze van... Owee als je oppert: "Maar zeg, ken ik jou niet van...", als de gesmeerde bliksem hebben ze iemand anders gezien die ze al zo lang wilden spreken, en weg zijn ze, de kop toch nog lichtjes tussen de schouders. Soms droom ik een witte eierschaal op hun hoofd.
Dag meneer Permeke, ik kom je nog wel eens opzoeken van de zomer,
Wim

woensdag 20 juni 2012

Boomverhalen

Beste Eik,
Het is ondertussen al woensdag en nog geen brief "op het einde van de week". Er zijn geen zekerheden meer, niet waar, Thomas...
Ik schrijf je omdat ik nog iets kleins wil vertellen over dat nieuwe In Flanders Fields Museum. Eén van de meest opmerkelijke objecten is precies géén oorlogstuig, zelfs niet iets van de vele parafernalia van soldaten of getuigen uit de Eerste Wereldoorlog. Neen, het is een schijf uit een boomstam, van een collega van jou, een zomereik, uit het kasteelpark van Elverdinge. Hij stierf een natuurlijke dood in 1994 maar bij het verzagen, trof men zwartgeblakerde sporen van kogel- of granaatinslagen van de Groote Oorlog. Zo stil had ik het landschap nog nooit zien getuigen van de wereldbrand, zo mooi had ik de veerkracht van de Westhoek, de wil om hier opnieuw te willen leven, nog nooit gesymboliseerd gezien dan in die boomschijf.
Sindsdien kan ik mijn ogen niet meer weghalen van boomstammen. Ik reed maandag naar Proven en zag langs de weg talloze bomen met een duidelijke wonde van auto's die er tegenop knalden. Aan één hing nog een bosje plastic bloemen maar ook andere vertelden het trieste verhaal van tientallen automobilisten en passagiers die er de dood vonden of levenslang verminkt raakten door de klap. "Stomme boom" hoor je dan wel eens zeggen. Alsof het jullie schuld is.
En zo zijn er vele bomen die een verhaal vertellen. De eik aan de voet van de Kemmelberg die door een bom door midden werd gereten, maar toch als een tweeling voort groeide, is een icoon geworden. De Elfnovembergroep, de groepering die achter het volksspel "Nooit brengt een oorlog vrede" zat, koos de eik als symbool. Aan de andere kant van de Kemmelberg vertelt een veel jongere boom, alweer een eik, het verhaal van Jacques Covemaeker die er in 1983 met de tractor op een onontplofte schrapnelbom reed en er het leven liet.
En jijzelf, beste eik, die mij in de herfst wel eens uit mijn slaap houdt omdat de eikels de hele nacht door over het dak ratelen, jij hebt ook een verhaal. Toen Vake in 1951 zijn eerste en enige huis in de Westhoek bouwde, waarmee hij voor goed vrede nam met het gemis van de zee, plantte hij die eik bij een kapelletje. Daarin een kopie van de madonna van Michelangelo in de OLV-kerk in Brugge. Een eerbetoon aan de maagd of misschien vooral aan zijn jonge vrouw, Bruggelinge én Maria, al noemde hij ze Mietje. Als we cowboy en indiaan speelden, was het aan jou dat we werden vastgebonden. En ik weet nog hoe kwaad mijn vader was toen broer Frank twee nagels in jouw stam had gedreven om er een touw aan vast te maken. Dagen lang heb je gebloed. Zou die wonde nog terug te vinden zijn, midden jouw bast?
In datzelfde tuintje stond verschillende decennia een perzikboom. Die kwam mee met een schoonbroer uit Brussel. Tientallen jaren hebben we fantastische, witte perziken gegeten met Brusselse roots. Vorige zomer heeft hij het begeven onder de te zware last. Alsof hij nog een laatste gulle afscheidsgroet wilde brengen. Van de week nog aten we ingevroren perzikmoes van zijn oogst. Een paar stronken staan nu als kinderstoeltjes op ons terras. En in de tuin staat een perzikboom die groeide uit een loot van die Brusselse loot. Een Brusselaar van de tweede generatie dus. En zo gaat ook dat verhaal nooit helemaal verloren. Alleen, veel perziken zullen er van de zomer niet zijn. 't Wordt een rotjaar voor 't fruit, zegt iedereen. Hopelijk voor eikels ook. Dan hou je me wat minder uit mijn slaap.
Groei ze!
Je onderdaan,

Wim

maandag 11 juni 2012

IFF 2.0.

Beste Piet,

We zijn zondag, in een vliegende vlucht, zoals zoveel mensen in de late zomer van 1914, door je nieuwe museum gelopen. Het ging allemaal te snel om er een grondig oordeel over te vormen, maar wat opviel was al meteen adembenemend: verbluffende vormgeving (Janpieter is een meester!), beklemmende soundscape en je ziet plots weer dat het museum in die prachtige lakenhallen staat. Ik heb haast niets gelezen en maar twee filmpjes bekeken, maar ik kan alleen maar zeggen dat ik verlang om terug te keren met veel meer tijd.
Je zag er gelukkig uit, broertje! En nu ik je schrijf, moet ik weer denken aan dat jaar, 1995, waarin we er een intense correspondentie op na hielden. We waren buren en onze brieven behoefden geen postzegels. Email bestond nog niet. We zeulden nog met floppy discs door onze tuin. Het resultaat van al dat schrijven werd "De Troost van Schoonheid", een boek over de dichters van de Eerste Wereldoorlog in de Ypres Salient. Het was toen nog vernieuwend om over een ander gedicht dan "In Flanders Fields" te praten. Het was even wennen toen het nieuwe museum in Ieper uitgerekend, juist ja... We schreven toen al over dat museum dat er ooit eens moest gaan komen in Ieper. Jij schreef: 'Als er straks in Ieper een nieuw Vredesmuseum komt, dan zal er veel respect en deemoed nodig zijn.' Ik antwoordde: 'Als dat museum er komt, zal men daar moeten afstappen van het denken in termen van vriend en vijand.' Onwaarschijnlijk dat jij een jaar na het verschijnen van dat boek mocht gaan solliciteren in Ieper. De rest is geschiedenis: een bankier-met-tegenzin werd een bevlogen bezieler van een museum dat geconcipieerd was voor 100.000 bezoekers per jaar maar er telkens meer dan het dubbele over de vloer kreeg. En Ieper is niet alleen oorlogscommerce, maar vooral ook een overtuigde Vredesstad geworden die een vredesprijs uitreikt. Goed gedaan broertje!
Als de horden toeristen die worden verwacht, straks onze gewesten overspoelen, zoals de vreemde troepen destijds in de nazomer van '14, dan hoop ik dat ze jouw museum als instap voor een bezoek aan de Salient gebruiken. Want hoe verwonderlijk het ook lijkt, het blijft belangrijk om te herhalen dat de Groote Oorlog waanzin was en dat mensen dat elkaar hebben aangedaan. Dat het allemaal ontsproten is aan het brein van perfide strategen, die overigens wat graag wetenschappers onder de hand namen om hun moorddadige plannetjes efficiënt te laten verlopen, maar dat het dom kanonnenvlees was dat de klus mocht klaren en dat de klos werd. Zelfs bijna veertig jaar na het volksspel "Nooit brengt een oorlog vrede", mag je dat nog niet overal zo scherp stellen. In jullie museum doe je dat wel. Je deed het al in '98 en jullie zijn er niet voor afgestraft, integendeel. IFF 2.0. is zo mogelijk nog explicieter in zijn pacifisme. Of die indruk had ik toch. Boontje wilde zijn lezers een geweten schoppen. Met een bestseller als IFFm sjot je een hele generatie de goeie kant op, al is 't maar voor de duur dat ze hier in de Westhoek vertoeven.
Haal nu maar wat slaap in, Piet, en ik kijk uit naar een privégidsbeurt met jou in I.F.F. 2.O.
Liefs,

Wim

maandag 4 juni 2012

GEFUSEERD

Beste Sandy,
De hele week is er gekibbeld en gepalaverd over de grootte en de leefbaarheid van Belgische gemeenten. Een heer van een clubje Vlaamse bedrijfsleiders (VOKA) zei dat gemeenten die minder dan twintigduizend inwoners hebben,  niet levensvatbaar zijn. Ongetwijfeld zijn daar economische argumenten voor te vinden. Omzet, kritische massa, kostenbaten, dat soort vrolijke termen. De hele Belgische pers komt dan natuurlijk bij jou terecht, als burgemeester van het kleinste stadje van België, met  net geen duizend inwoners. Jij lacht dan eens breedkaaks, wat dat betreft heb je je smoeltje wel mee (om het met Raymond te zeggen), maar je zegt misschien ook wel rake dingen over kleinschaligheid en de nabijheid van het beleid.
Ik ben opgegroeid in een relatief klein dorp dat in 1976 fuseerde met Poperinge. Dat blijkt nu dus één van de drie gemeenten in de hele Westhoek die, volgens mister Voka, levensvatbaar kan zijn. Met de hakken over de sloot hoor, want bij mijn weten zit Poperinge heel niptjes onder die twintigduizend inwoners. Op mijn zestiende werd ik dus plots, zonder te verhuizen, Poperingenaar. Nou ja, zo heet dat dan. En het viel me niet zwaar want ik had ondertussen ook al mijn Reningelsts liefje ingeruild voor een meisje van 't stad en door 't school en klap lopen in Poperinge, raakte ik ook wel een beetje vergroeid met de stad.
Toch blijf ik in de eerste plaats Reningelstnaar, of misschien wel van de Zevekote want die van de Ouderdom voelen zich toch ook weer wat anders dan die van de platse en die van de Busseboom, ja dat zijn ook andere en die van de Visserijmolen, oei, oei, dat zijn polderjongens, terwijl wij al tegen de bergen  aan schurken...
Ik kom wel eens in Noord-Frankrijk, waar iedere negorij, een kerk en zeven huisjes eromheen, zijn eigen maire heeft. Die heeft zijn kantoortje in de Mairie waar hij ook nog een paar adjoints-au-maire heeft rondlopen. Ze hebben het allemaal vooral druk met hun boerderij, hun winkeltje of de boulot in de fabrique in de buurt van Lille. En toch zijn de wegen hier ook nog berijdbaar, heeft iedereen er elektriciteit en betalen ze allemaal belastingen. Veel hebben die burgemeestertjes niet te zeggen, allicht. Er zijn intercommunales die hen veel werk (en bevoegdheden) uit handen nemen. De mannetjes en vrouwtjes met hun bleu-blanc-rouge sjerp zijn bijna zo folkloristisch als de reus die elk van die negorijen ook heeft. Op beide zijn de bewoners even trots en er heerst nog een soort eigenwaarde in Oxelaere, Arneke of Crochte. "C'est à nous!" Bij ons moet die officiële eigenwaarde komen van bewonersplatforms die dikwijls moeite hebben om boven de klaagzooi uit te komen.
Ach, ik weet het niet. Provincies afschaffen maar dan weer gemeenten maken die lijken op kleine provincies. Blijven we zo niet bezig? Levensvatbaarheid is één ding, maar daar kan je aan verhelpen. Provincies maken bijvoorbeeld... Beleid voeren met een menselijk gelaat is een ander ding. En dat zal bij jou in Mesen wel gemakkelijker zijn dan bij Patrick in Antwerpen of Daniel In Gent. Hoewel, als je die twee alleen al vergelijkt, weet je 't wel.
Veel groeten van op de Zevekote, bij uitbreiding ook Reningelst-Poperinge-West-Vlaanderen-Vlaanderen-België-Europa en ochere, een onnozel planeetje van twee keer niks,

Wim